ECLI:NL:GHSGR:2010:BM1113
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtbankuitspraak over navordering inkomstenbelasting 2002 wegens ontbreken nieuw feit
Belanghebbende kreeg in 2002 een voorlopige teruggaaf van inkomstenbelasting toegekend op basis van een nihil inkomen. Later bleek uit de aangifte dat het inkomen hoger was, waardoor de voorlopige teruggaaf deels onterecht was.
De Inspecteur stelde een navorderingsaanslag vast, maar de rechtbank oordeelde dat niet was voldaan aan het vereiste van een nieuw feit zoals bedoeld in artikel 16 van Pro de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr). De Inspecteur stelde in hoger beroep dat dit niet nodig was, maar het hof bevestigde het oordeel van de rechtbank.
Het hof overwoog dat de voorlopige teruggaaf niet onjuist was verrekend met de fictieve aanslag en dat de Inspecteur niet aannemelijk had gemaakt dat hem ten tijde van de aanslag niet bekend was of redelijkerwijs niet bekend kon zijn dat het inkomen hoger was. Daarom is de navorderingsaanslag ten onrechte opgelegd en blijft de uitspraak van de rechtbank in stand.
Uitkomst: Het gerechtshof bevestigt dat de navorderingsaanslag onrechtmatig is en verklaart het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond.