ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8572
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van de Poll
- Van Leuven
- Hulsebosch
- Rechtspraak.nl
Verdeling zomervakantie tussen ouders met gezamenlijk gezag rekening houdend met belangen kind en ouders
In deze zaak stond de verdeling van de zomervakantie tussen ouders met gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind centraal. De moeder was in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank die bepaalde dat de minderjarige drie weken aaneengesloten tijdens de bouwvakvakantie bij de vader zou verblijven. De moeder verzocht om een regeling waarbij de zomervakantie in twee delen van drie weken werd verdeeld, met overleg en een uiterste datum voor afspraken.
Het hof overwoog dat de vader als zelfstandige in de bouw werkzaam is en gebonden is aan de bouwvakvakantie van zijn regio, wat meegewogen moet worden. Tegelijkertijd achtte het hof het belang van de minderjarige om langere aaneengesloten periodes bij beide ouders door te brengen essentieel voor haar rust en welzijn.
Daarom stelde het hof een regeling vast waarbij de minderjarige gedurende de zomervakantie zo mogelijk drie aaneengesloten weken, maar minimaal twee weken bij elke ouder verblijft. De bouwvakvakantie van de regio van de vader vormt het uitgangspunt voor zijn verblijf. De overige weken worden in onderling overleg verdeeld, met jaarlijkse afwisseling van voorkeur. Partijen moeten uiterlijk 1 oktober van het voorafgaande jaar definitieve afspraken maken.
Het hof vernietigde de bestreden beschikking voor zover deze de zomervakantieregeling betrof en wees het verzoek van de moeder voor een andere regeling af. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad gegeven.
Uitkomst: Het hof stelde een zorgregeling vast waarbij de minderjarige gedurende de zomervakantie minimaal twee aaneengesloten weken bij elke ouder verblijft, met de bouwvakvakantie van de regio van de vader als uitgangspunt.