ECLI:NL:GHSGR:2010:BL6519
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Kamminga
- van Nievelt
- Mos-Verstraten
- Rechtspraak.nl
Omgangsregeling tussen biologische vader en minderjarige na scheiding vastgesteld
In deze zaak staat de omgang tussen de biologische vader en zijn minderjarige kind centraal, na ontbinding van het huwelijk tussen de ouders. Het hof bevestigt het vaderschap op basis van een DNA-test en oordeelt dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen vader en kind. De vader is derhalve ontvankelijk in zijn verzoek tot omgang.
De ouders vroegen om de benoeming van een bijzonder curator voor de minderjarige, maar dit verzoek werd afgewezen omdat onvoldoende concreet werd gemaakt wat de aard en ernst van het conflict zou zijn. De omgangsregeling wordt vastgesteld met een opbouw in frequentie en duur, waarbij de vader de minderjarige eerst eenmaal per maand twee uur op een neutrale plek mag zien, oplopend tot vier uur per maand.
Het hof vernietigt de eerdere beschikking en stelt de omgangsregeling opnieuw vast, waarbij het belang van de minderjarige en het recht op contact met de biologische vader worden gewaarborgd. De ouders worden niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoek om geen omgang toe te staan.
Uitkomst: Het hof stelt een omgangsregeling vast tussen de biologische vader en de minderjarige en wijst het verzoek tot benoeming van een bijzonder curator af.