ECLI:NL:GHSGR:2010:BL5705
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering herinvesteringsreserve bij navorderingsaanslag vennootschapsbelasting 2001
Belanghebbende, een besloten vennootschap, had in 2001 een pand verkocht met een aanzienlijke boekwinst en stelde in haar aangifte een herinvesteringsreserve (HIR) te mogen vormen. De Inspecteur legde daarop een navorderingsaanslag op omdat de vorming van de HIR volgens hem niet mogelijk was. De rechtbank verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond en het Gerechtshof bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
Het geschil draait om de vraag of belanghebbende aan het einde van het boekjaar 2001 een voornemen tot vervanging van het bedrijfsmiddel had, zoals vereist voor het vormen van een HIR. Belanghebbende heeft dit voornemen niet aannemelijk kunnen maken. Verklaringen die werden overgelegd, betroffen vooral activiteiten van een directeur en aandeelhouder die niet als bestuurder van belanghebbende optrad, en waren onvoldoende om het vervangingsvoornemen te staven.
Het Hof oordeelt dat de Inspecteur terecht de navorderingsaanslag heeft opgelegd en dat de bewijslast voor het bestaan van het vervangingsvoornemen bij belanghebbende ligt. De stellingen over een mogelijke aankoop van een onroerend goed in Zweden zijn onvoldoende onderbouwd en kunnen het oordeel niet beïnvloeden. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de navorderingsaanslag bevestigd.