ECLI:NL:GHSGR:2010:BL4210
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- P.J.J. Vonk
- H.A.J. Kroon
- H.J. van den Steenhoven
- Rechtspraak.nl
Bevestiging geen arbeidskorting over WW-uitkering in inkomstenbelasting
Belanghebbende maakte bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2004, waarbij hij stelde dat de over zijn WW-uitkering arbeidskorting had moeten worden berekend. De Inspecteur had de WW-uitkering niet als loon uit tegenwoordige arbeid aangemerkt en daarom geen arbeidskorting toegekend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof.
Het Hof oordeelde dat een WW-uitkering niet kan worden gekwalificeerd als loon uit tegenwoordige arbeid omdat deze niet toe te rekenen is aan specifieke arbeid die belanghebbende heeft verricht. Bovendien is de WW-uitkering niet genoemd in artikel 1.7a van de Wet inkomstenbelasting 2001, waarin bepaalde inkomsten worden gelijkgesteld met loon uit tegenwoordige arbeid voor de toepassing van de arbeidskorting.
Het Hof verwierp ook het argument van belanghebbende dat de Inspecteur niet mocht terugkomen op de voorlopige aanslag waarin wel arbeidskorting was berekend. Er waren geen bijkomende omstandigheden die rechtvaardigen dat de Inspecteur aan zijn eerdere standpunt gebonden zou zijn. Daarnaast wees het Hof het beroep op de hardheidsclausule af, omdat deze niet door de rechter kan worden toegepast. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat over de WW-uitkering geen arbeidskorting verschuldigd is en verklaart het hoger beroep ongegrond.