ECLI:NL:GHSGR:2010:BL2267
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Rentevoordeel directeur-grootaandeelhouder belast als resultaat uit overige werkzaamheden
Belanghebbende, directeur en enig aandeelhouder van een vennootschap met overtollige liquide middelen, leende in 2003 een substantieel bedrag van de vennootschap tegen een zakelijke rente van circa 2,5% om dit bedrag op een internetspaarrekening te plaatsen met een hogere rente van 3,6%, waardoor hij een rentevoordeel behaalde.
De Inspecteur rekende dit rentevoordeel tot het belastbaar inkomen uit werk en woning als resultaat uit overige werkzaamheden, terwijl belanghebbende dit betwistte en stelde dat het inkomen uit sparen en beleggen was en derhalve nihil.
De rechtbank had het beroep van belanghebbende gegrond verklaard en de aanslag verminderd, maar het hof vernietigde deze uitspraak en bevestigde de uitspraak op bezwaar van de Inspecteur. Het hof overwoog dat de lening en rentevergoeding geen loon uit dienstbetrekking vormden, maar dat de rentearbitrage een werkzaamheid in het economische verkeer was die een voordeel opleverde dat redelijkerwijs kon worden verwacht.
Daarmee was sprake van resultaat uit overige werkzaamheden en moest het rentevoordeel bij het belastbaar inkomen worden geteld. Het hof wees proceskostenveroordeling af en bepaalde dat geen griffierecht werd geheven van de Staat wegens het hoger beroep.
Uitkomst: Het rentevoordeel wordt als resultaat uit overige werkzaamheden tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend.