ECLI:NL:GHSGR:2009:BL1459
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Van Leuven
- Kamminga
- De Haan-Boerdijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging erkenning minderjarige wegens ontbreken biologische vaderschap afgewezen
In deze zaak stond de vernietiging van een erkenning van een minderjarige centraal, waarbij de vader in hoger beroep verzocht om de erkenning die hij had gedaan te vernietigen omdat hij niet de biologische vader is. De rechtbank had dit verzoek eerder afgewezen en het hof bevestigt deze beslissing.
De vader stelde dat hij onder bedreiging van de moeder tot erkenning was gekomen en dat hij het verzoek binnen de wettelijke termijn had ingediend. De moeder ontkende de bedreigingen en gaf aan dat het niet in het belang van de minderjarige is dat de vader juridisch vader blijft, mede omdat hij het kind sinds 2005 niet meer ziet.
Het hof oordeelde dat de vader onvoldoende bewijs had geleverd voor de stelling dat hij door bedreiging tot erkenning was bewogen. De stelplicht en bewijslast rusten op de verzoeker en de vader had dit niet overtuigend onderbouwd. Ook werd meegewogen dat de vader zelf verklaarde uit angst de moeder te verliezen te hebben erkend. Het hof bekrachtigde daarom de eerdere beschikking en wees het verzoek af, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot vernietiging van de erkenning af wegens onvoldoende bewijs van bedreiging.