ECLI:NL:GHSGR:2009:BK9657
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Gerechtshof bevestigt aanvangstijdstip invorderingsrente per 1 januari 2007 bij voorlopige aanslag
In deze zaak stond centraal welk aanvangstijdstip in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de te vergoeden invorderingsrente over een voorlopige aanslag inkomstenbelasting 2006. Belanghebbende stelde dat dit 1 maart 2006 was, terwijl de Ontvanger 1 januari 2007 als aanvangstijdstip hanteerde.
De aanslag van €12.449 werd opgelegd met elf maandelijkse betalingstermijnen, waarvan de eerste verviel op 28 februari 2006. Belanghebbende betaalde het volledige bedrag op 24 februari 2006 om een betalingskorting te verkrijgen. De invorderingsrente werd berekend over het tijdvak van 1 januari 2006 tot en met 3 juli 2007.
Het hof oordeelde dat de wettelijke regeling (artikel 28 lid 5 en Pro artikel 9 lid 5 Invorderingswet Pro 1990) bepaalt dat bij een aanslag die in meerdere termijnen invorderbaar is, het aanvangstijdstip voor invorderingsrente de dag na de vervaldag van de laatste betalingstermijn is. De keuze van belanghebbende om in één keer te betalen en een betalingskorting te verkrijgen, verandert hieraan niets. Daarom is het aanvangstijdstip 1 januari 2007 en niet 1 maart 2006.
Het hof verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde het vonnis van de rechtbank. Proceskosten werden niet toegewezen. Belanghebbende kan tegen deze uitspraak cassatie instellen bij de Hoge Raad.
Uitkomst: Het Gerechtshof bevestigt dat het aanvangstijdstip voor de invorderingsrente 1 januari 2007 is en verklaart het hoger beroep ongegrond.