ECLI:NL:GHSGR:2009:BK7374
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Raadkamer
- R. Noordam
- G. Oosterhof
- E.P.J. Myjer
- Rechtspraak.nl
Geen jurisdictie Nederland over vermeende marteling door Israëlische minister
De klacht betrof het niet instellen van strafvervolging tegen een Israëlische minister die werd beschuldigd van marteling gepleegd tussen december 1999 en februari 2000 in Israël. De minister verbleef kort in Nederland in mei 2008, waarna de klacht werd ingediend.
De rechtbank overwoog dat hoewel de aanwezigheid van de verdachte in Nederland een basis voor jurisdictie kan zijn, in dit geval geen onderzoek of arrestatie heeft plaatsgevonden tijdens zijn verblijf. De korte verblijfsduur en het ontbreken van verdere onderzoeksactiviteiten maakten dat de Nederlandse vervolgingsbevoegdheid niet was gevestigd.
Het hof benadrukte dat universele jurisdictie beperkt is tot gevallen waarin de verdachte daadwerkelijk aanwezig is en dat vervolging in afwezigheid ongewenst is. Verder werd opgemerkt dat nader onderzoek in Israël waarschijnlijk niet mogelijk is vanwege gebrek aan medewerking.
Daarom werd het besluit van de officier van justitie om geen strafvervolging in te stellen als redelijk beoordeeld en de klacht verworpen.
Uitkomst: De klacht tegen het niet instellen van strafvervolging werd verworpen wegens gebrek aan jurisdictie.