ECLI:NL:GHSGR:2009:BK4122

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
11 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.031.630-01 en 200.032.313-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dusamos
  • Kamminga
  • Ydema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet limitering alimentatieArt. 1:401 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling en limitering van partneralimentatie met pensioen en vermogen

In deze zaak stond de vraag centraal of de partneralimentatie die de man aan de vrouw betaalt, beëindigd of verlaagd kon worden. De man verzocht om beëindiging van de alimentatie per 1 februari 2009, terwijl de vrouw een hogere alimentatie en voortzetting tot haar 75ste levensjaar vorderde.

Het hof heeft de feiten en draagkracht van partijen onderzocht, waarbij onder meer het pensioeninkomen en het vermogen van beiden werden betrokken. De vrouw heeft een beperkt inkomen en vermogen en is volledig arbeidsongeschikt. De man heeft een pensioeninkomen en vermogen, maar het hof achtte het onredelijk om van hem te verlangen dat hij alimentatie uit zijn vermogen zou betalen.

Het hof oordeelde dat de beëindiging van de alimentatie per 1 februari 2009 voor de vrouw te ingrijpend zou zijn, zodat de alimentatieverplichting niet per die datum kon eindigen. De alimentatie blijft daarom doorlopen tot 4 februari 2018, waarna geen verlenging mogelijk is. Vanaf 1 februari 2009 is de alimentatie echter nihil gesteld, en de man hoeft teveel betaalde bedragen niet terug te betalen.

De verzoeken van partijen die afweken van deze uitkomst zijn afgewezen, en de vrouw werd niet in de proceskosten veroordeeld.

Uitkomst: De alimentatieverplichting van de man eindigt niet per 1 februari 2009, maar loopt door tot 4 februari 2018 met een nihilbetaling vanaf 1 februari 2009.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Familiesector
Uitspraak : 11 november 2009
Zaaknummers : 200.031.630/01 en 200.032.313/01
Rekestnr. rechtbank : FA RK 08-5174
In de zaak met nummer 200.031.630/01:
[de man],
wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.M. Spronk te Utrecht,
tegen
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te ’s-Gravenhage.
In de zaak met nummer: 200.032.313/01:
[de vrouw],
wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. G.A. Nandoe Tewarie te ’s-Gravenhage.
tegen
[de man],
wonende te [woonplaats],
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.M. Spronk te Utrecht,
PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP
In de zaak met nummer 200.031.630/01:
De man is op 17 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 januari 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.
De vrouw heeft op 6 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.
In de zaak met nummer 200.031.313/01:
De vrouw is op 27 april 2009 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 27 januari 2009 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.
De man heeft op 8 september 2009 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 9 juni 2009 aanvullende stukken ingekomen.
Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 3 september 2009 en 11 september 2009 aanvullende stukken ingekomen.
Op 2 oktober 2009 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.
PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN
Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.
Bij die beschikking is het verzoek van de man ter zake van de limitering van de alimentatie afgewezen. Daarnaast is de door hem te betalen uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw met ingang van 1 februari 2009 bepaald op € 950,- per maand. Voorts is bepaald dat de verplichting van de man tot betaling van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw eindigt op 4 februari 2018 en dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is. De bestreden beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. In geschil is de beëindiging althans verlaging van de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw, hierna ook partneralimentatie.
2. De man verzoekt, in de zaak met nummer 200.031.630.01, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen, uitvoerbaar bij voorraad, dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt per 1 februari 2009, subsidiair een aflopend bedrag vast te stellen tot 1 januari 2018 en de alimentatie definitief op nihil te stellen per 1 februari 2018.
3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt in de zaak met nummer 200.032.31301, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat zij met ingang van 1 februari 2009 althans iedere andere door het hof in goede justitie nader te bepalen datum zal worden gesteld om € 2.300,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling door de man aan haar te voldoen, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad. Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man tot het 75 ste levensjaar van de vrouw zal voortduren, derhalve tot 2018, waarbij specifiek opgenomen wordt dat ook daarna om verlenging verzocht kan worden. Voorts verzoekt zij alle verzoeken van de man af te wijzen en hem te veroordelen in de kosten van het geding.
4. Het hof overweegt als volgt. Uitgangspunt van de overgangsbepaling in de Wet limitering alimentatie is dat een alimentatieverplichting eindigt na verloop van vijftien of meer jaren, tenzij de beëindiging van de uitkering, per 1 februari 2009, van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde kan worden gevergd. Ter beantwoording van de vraag of limitering voor de alimentatiegerechtigde van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd, moet de situatie waarin de alimentatiegerechtigde zal komen te verkeren als gevolg van de limitering worden vergeleken met de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert onmiddellijk voorafgaand aan de limitering.
5. Onderzocht dient thans te worden de vraag of van vorengenoemde uitzondering op de hoofdregel sprake is. De vrouw beroept zich op een uitzonderingsgeval door te stellen dat haar inkomenspositie aanzienlijk achteruit gaat bij het wegvallen van de bijdrage door de man.
6. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat, gelet op het de hoogte van de huidige inkomsten van de vrouw en het deel dat de alimentatie hiervan uitmaakt, beëindiging van de alimentatieverplichting voor de vrouw zo ingrijpend is dat beëindiging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden verlangd. Het hof neemt de overwegingen van de rechtbank dienaangaande over en maakt deze tot de zijne, met dien verstande dat het hof ervan uitgaat dat de vrouw in 2007 naast haar AOW-uitkering van € 736,90 netto per maand, ook een pensioenuitkering ontvangt van ongeveer € 90,- bruto per maand. Uit de door de vrouw in het geding gebrachte gegevens met betrekking tot haar inkomen over 2008 blijkt dat haar inkomen over dat jaar nagenoeg gelijk is aan het inkomen over 2007. Het hof voegt daaraan nog toe dat de vrouw niet over een beroepsopleiding beschikt; zij heeft alleen de lagere school doorlopen. Zij beschikt nauwelijks over werkervaring en is, zo stelt zij, vanwege haar psychische problemen volledig arbeidsongeschikt geraakt. De vrouw beschikt, in relatie gezien tot het vermogen van de man zoals dat hierna zal worden vastgesteld, over een beperkt vermogen; volgens de stelling van de man ter zitting beschikt de vrouw over een vermogen van € 20.000,-, volgens de vrouw bedraagt haar vermogen thans een bedrag van € 9.000,-. Wel zal het hof bepalen, mede gezien de omstandigheid dat partijen thans beiden met pensioen zijn en hetgeen hierna omtrent de draagkracht van de man wordt overwogen, dat verlenging van genoemde termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is.
7. Het hof zal gezien grief 5 hierna de draagkracht van de man beoordelen, aan de hand van de door hem overgelegde draagkrachtberekening, productie 9 bij zijn appelschrift.
8. Het hof houdt rekening met het inkomen uit pensioen van € 19.834,- per jaar, nu de vrouw dit niet heeft betwist.
9. Uit de draagkrachtberekening van de man over 2008 volgt dat, rekening houdend met een fictief rendement van 4% over het gemiddelde vermogen, zijn inkomen uit vermogen € 22.016,- bedraagt. Het hof zal hierbij aansluiten nu de man weliswaar heeft gesteld dat zijn inkomen uit vermogen lager is dan de 4%, maar hij heeft geen inzicht gegeven in de daadwerkelijke inkomsten, zodat het hof geen andere keuze heeft dan de cijfers van de man zoals opgenomen in zijn draagkrachtberekening 2008 te volgen. Dat de man een hoger rendement maakt dan 4% acht het hof gezien de huidige economische situatie onaannemelijk.
10. Het hof houdt geen rekening met de premie levensverzekering van € 340,- per maand, aangezien het hier om vermogensvorming, ten behoeve van de tweede ex-echtgenote van de man, gaat die hij uit zijn vrije draagkrachtruimte dient te financieren.
11. Het hof houdt rekening met de omstandigheid dat de man ten behoeve van zijn zoon, geboren uit zijn tweede huwelijk, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding betaalt van € 600,- per maand, aangezien het hof dit redelijk acht.
12. Het hof houdt voorts rekening met de rente van de hypothecaire geldlening van € 871,- per maand, het forfait eigenaarslasten van € 95,- per maand, de premie ziektekosten van € 110,- per maand en de omgangskosten van € 40,- per maand, nu de vrouw deze lasten niet heeft betwist. Het hof stelt vast dat het eigen woningforfait ter zake van de woning van de man € 3.223,- bedraagt.
13. Van de man kan niet gevergd worden dat hij op dit moment de alimentatietermijn geheel of ten dele voldoet uit zijn vermogen, nu dit vermogen en het rendement dat hij op dit vermogen behaalt de pensioenvorming voor de man is en de door de man gerealiseerde dan wel fictieve inkomsten het hof voor een apotheker niet bovenmatig voorkomen.
14. Gelet op het bovenstaande heeft de man thans geen draagkracht tot het voldoen van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw.
15. Hetgeen de vrouw overigens heeft betoogt doet aan het vorenstaande niet.
16. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.
17. Het hof ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding te bepalen dat hetgeen de man na 1 februari 2009 heeft voldaan als geconsumeerd heeft te gelden en dus niet behoeft te worden terugbetaalt.
18. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de vrouw verzoekt, de man te veroordelen in de proceskosten en zal dit verzoek dan ook afwijzen.
19. Mitsdien zal als volgt worden beslist.
BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP
vernietigt de bestreden beschikking, en opnieuw beschikkende:
wijst het verzoek van de man ter zake van de limitering van de alimentatie af;
bepaalt dat de verplichting van een uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw eindigt op 4 februari 2018;
bepaalt dat verlening van deze termijn na ommekomst daarvan niet mogelijk is.
bepaalt de door de man met ingang van 1 februari 2009 te betalen uitkering tot levensonderhoud aan de vrouw op nihil;
bepaalt dat de vrouw de door de man teveel betaalde alimentatie niet behoeft terug te betalen;
wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kamminga en Ydema, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 november 2009.