ECLI:NL:GHSGR:2009:BK0891
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- M.H. van Coeverden
- M.C.M. van Dijk
- R.C. Schlingemann
- Rechtspraak.nl
Toewijzing vordering tot betaling van vervallen huurtermijnen en boete na faillissement huurder
In deze zaak stond de vraag centraal of toekomstige, nog niet vervallen huurtermijnen na faillissement van de huurder als vorderingen konden worden beschouwd die reeds opeisbaar waren. De huurovereenkomst betrof bedrijfsruimte en de huurprijs was maandelijks vooruitbetaald. De kantonrechter had de vordering tot betaling van reeds vervallen huurtermijnen toegewezen, maar de vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen vanaf 1 november 2008 afgewezen.
Het hof overwoog dat op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad toekomstige huurtermijnen niet als opeisbare vorderingen kunnen worden beschouwd op het moment van faillissement, omdat het ontstaan afhankelijk is van toekomstige, onzekere omstandigheden zoals het daadwerkelijk gebruik van het gehuurde. Dit betekent dat de kantonrechter terecht de vordering tot betaling van toekomstige huurtermijnen had afgewezen.
Echter, het hof stelde vast dat vanaf 1 november 2008 de huurtermijnen feitelijk onbetaald waren gebleven. Daarom was de vordering tot betaling van de huurtermijnen die inmiddels waren vervallen (november 2008 tot en met oktober 2009) en de contractuele boete daarvoor toewijsbaar. Het hof vernietigde het bestreden vonnis voor zover het deze toekomstige huurtermijnen betrof en veroordeelde Villa Happ tot betaling van € 35.551,20 aan huur en € 3.600 aan boete, vermeerderd met wettelijke handelsrente.
Daarnaast werd Villa Happ veroordeeld in de helft van de kosten van het hoger beroep vanwege de keuze voor een duurdere procedure. Het arrest werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof wijst de vordering tot betaling van huurtermijnen vanaf november 2008 en contractuele boete toe en vernietigt het vonnis voor zover toekomstige huurtermijnen werden afgewezen.