ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ9169
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- G. Oosterhof
- G.P.A. Aler
- I.P.A. van Engelen
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid officier van justitie in ontnemingsvordering wegens overschrijding termijn
De officier van justitie had in de strafzaak een ontnemingsvordering aangekondigd en deze formeel ingediend met dagtekening 14 september 2007. De rechtbank wees op 4 oktober 2005 vonnis in de strafzaak. Volgens artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering moet een ontnemingsvordering uiterlijk binnen twee jaar na het vonnis aanhangig worden gemaakt. In deze zaak werd de vordering pas op 4 december 2007 ter betekening aan de veroordeelde gebracht, wat twee maanden na het verstrijken van de termijn was.
De rechtbank verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk wegens deze overschrijding. In hoger beroep bevestigde het hof deze beslissing, hoewel het het vonnis van de rechtbank vernietigde vanwege andere overwegingen. Het hof oordeelde dat de datum van aanhangigmaking beslissend is en dat het uitbrengen van de vordering pas kan plaatsvinden nadat de rechtbank een zittingsdatum heeft vastgesteld. Vertragingen door zittingscapaciteit kunnen geen rechtvaardiging vormen.
De advocaat-generaal had verzocht het vonnis te vernietigen en ontvankelijkheid te verklaren, maar het hof wees dit af. Ook de subsidiaire toepassing van artikel 359a Sv werd verworpen omdat de wetgever duidelijk het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid bij overschrijding van de termijn heeft bepaald. Het hof verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering.
Uitkomst: De officier van justitie wordt niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens overschrijding van de wettelijke termijn.