ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ4870
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Kamminga
- Mink
- Van der Burght
- Rechtspraak.nl
Ontzegging omgangsrecht vader met minderjarige wegens ernstige bezwaren en ongeschiktheid
In deze zaak staat de omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarige kind centraal. De moeder, die het ouderlijk gezag uitoefent, verzoekt het hof om het verzoek van de vader tot omgang af te wijzen en het omgangsrecht te ontzeggen. Zij voert aan dat omgang ernstige schade zou veroorzaken aan de geestelijke gezondheid van het kind, dat expliciet heeft aangegeven de vader niet te willen zien.
De vader heeft geen verweer gevoerd en is niet verschenen bij de mondelinge behandeling. Het hof stelt vast dat de vader en het kind geen band hebben opgebouwd door het geringe aantal en de slechte kwaliteit van de contacten. Daarnaast is gebleken dat de vader zich jegens de moeder zodanig gedraagt dat een zekere dreiging uitgaat, wat de veiligheid en rust van moeder en kind in gevaar brengt.
Het hof oordeelt dat de vader geen invulling geeft aan zijn vaderrol en zijn eigen belang boven dat van het kind stelt, onder meer door het niet meewerken aan medisch onderzoek. Gelet op deze omstandigheden en het feit dat het kind ernstige bezwaren heeft tegen omgang, is voldaan aan de limitatieve gronden voor ontzegging van het omgangsrecht zoals vermeld in artikel 1:377a lid 3 sub b en c BW.
Daarom vernietigt het hof de bestreden beschikking voor zover nodig en ontzegt het de vader het recht op omgang met het kind. Alle overige verzoeken worden afgewezen.
Uitkomst: De vader wordt het recht op omgang met zijn minderjarige kind ontzegd wegens ernstige bezwaren en ongeschiktheid.