ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ2866
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Kamminga
- Mertens-de Jong
- Rechtspraak.nl
Vaststelling nalatenschap en verdeling vorderingen tussen erfgenamen en echtgenote
In deze zaak gaat het om de vaststelling van de nalatenschap en de verdeling van vorderingen tussen verzoeker sub 1, verzoekster sub 2 en verweerder. Het hof heeft eerdere beslissingen over de immateriële en materiële schadevergoeding, geldlening en de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap bevestigd.
Tijdens de comparitie en het hoger beroep is een gecorrigeerde staat van beschrijving en berekening van de nalatenschap besproken, waarbij partijen het eens werden over de waarde van de inboedel. Het hof heeft de totale erfenis vastgesteld op € 145.978,88.
Verweerder verzocht op grond van artikel 4:21 BW Pro de overdracht van goederen zonder vruchtgebruik, maar het hof oordeelde dat overdracht onder voorbehoud van vruchtgebruik aan verzoekster sub 2 moet plaatsvinden, mede gelet op de korte duur van het huwelijk en het feit dat verzoekster sub 2 reeds de helft van het vermogen van de erflater heeft ontvangen.
Een aanvullend verzoek van verweerder werd afgewezen wegens schending van de goede procesorde. Het hof stelde de vorderingen van partijen vast en compenseerde de proceskosten, waarbij elk zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof stelt de vorderingen vast en wijst de overdracht van gelden toe onder voorbehoud van vruchtgebruik.