Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ1594

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
30 juni 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
200.029.548-01
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor in hoger beroep over vervangende standplaatsen woonwagenlocatie

Verzoekster heeft bij het gerechtshof een verzoek ingediend tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor over de vraag of onderhandelingen over vervangende standplaatsen op de woonwagenlocatie De Bras in een vergevorderd stadium waren en of zij daaraan gerechtvaardigd vertrouwen mocht ontlenen.

Het hof oordeelt dat na het op dezelfde dag gewezen arrest in de hoofdzaak verzoekster geen rechtens relevant belang meer heeft bij het horen van getuigen over deze kwestie. De reeds in de hoofdzaak geponeerde stellingen en het arrest maken het bewijs niet meer van belang voor de uitkomst.

Daarnaast zou het houden van getuigenverhoren leiden tot onnodige vertraging van het pleidooi in de hoofdzaak, wat strijdig is met de goede procesorde. Het hof wijst het verzoek af en veroordeelt verzoekster in de proceskosten van de gemeente, die binnen veertien dagen voldaan moeten worden, vermeerderd met wettelijke rente bij uitblijven van betaling.

Uitkomst: Het verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt afgewezen en verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 200.029.548/01
Beschikking van de eerste civiele kamer d.d. 30 juni 2009
inzake
[Naam],
wonende te ’s-Gravenhage,
verzoekster,
hierna te noemen: [verzoekster],
advocaat: mr. S.J.M. Jaasma te Amsterdam,
tegen
de gemeente Den Haag,
zetelende te Den Haag,
verweerster,
hierna te noemen: de gemeente,
advocaat: mr. A.R. de Jonge te ’s-Gravenhage.
Het geding
1.1 Bij verzoekschrift (met bijlage) gericht aan dit gerechtshof, op 27 februari 2009 feitelijk binnengekomen bij de rechtbank en op 5 maart 2009 bij het hof, heeft [verzoekster] verzocht een voorlopig getuigenverhoor te houden. Zij heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de rechtbank in het tussen partijen gewezen (eind)vonnis van 12 maart 2008, waarvan [verzoekster] in hoger beroep is gekomen, heeft geoordeeld dat [verzoekster] onvoldoende heeft gesteld, althans dat zij onvoldoende bewijs heeft aangeleverd voor de stelling dat onderhandelingen over vervangende standplaatsen op de nieuwe woonwagenlocatie genaamd De Bras in een ver gevorderd stadium waren en dat zij hieraan het gerechtvaardige vertrouwen mocht ontlenen dat aan haar een vervangende standplaats zou worden aangeboden.
1.2. Het verzoek is aangemerkt als een verzoek aan het gerechtshof, omdat het hoger beroep van het vonnis van 12 maart 2008 bij dit hof aanhangig is (zaaknummer 200.007.340/01; hierna: de hoofdzaak). De toezending aan de rechtbank van het aan het hof gerichte verzoekschrift acht het hof een kennelijke vergissing.
1.3. De gemeente heeft een verweerschrift (met producties) ingediend. Op 25 mei 2009 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden waarbij beide partijen hun standpunt hebben verdedigd.
De beoordeling van het verzoek
2.1 Gelet op het heden gewezen arrest in de hoofdzaak heeft [verzoekster] geen rechtens relevant belang meer bij het horen van getuigen over de vraag of onderhandelingen over vervangende standplaatsen op de nieuwe woonwagenlocatie genaamd De Bras in een ver gevorderd stadium waren en of (en in hoeverre) zij daaraan vertrouwen ontleende dat aan haar een vervangende standplaats zou worden aangeboden. Bewijs van hetgeen zij dienaangaande reeds heeft gesteld in de hoofdzaak kan haar immers niet baten, gelet op de inhoud van het heden in die zaak gewezen arrest.
2.2 Daar komt bij dat in de hoofdzaak ten tijde van het indienen van het verzoek de stellingen van beide partijen al waren geponeerd (zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep bij de memories van grieven en antwoord) en voorts al pleidooi was bepaald tegen een datum twee maanden na het verzoek. De zittingen voor de behandeling van het verzoek en voor de getuigenverhoren in zowel enquête als contra-enquête konden niet binnen die twee maanden voorafgaand aan het pleidooi plaatsvinden. Uitstel van het pleidooi in de hoofdzaak zou tot onnodige vertraging hebben geleid en in strijd zijn geweest met de goede procesorde in de hoofdzaak. Hierbij zij aangetekend dat, indien het hof in de hoofdzaak van oordeel zou zijn geweest dat de te bewijzen aangeboden feiten tot een andere beslissing hadden kunnen leiden, het hof in de hoofdzaak een bewijsopdracht had gelast, waarbij [verzoekster] de door haar gewenste getuigenverhoren had kunnen laten houden.
2.3 [verzoekster] moet als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van haar verzoek, op verzoek van de gemeente bij uitblijven van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente.
Beslissing
Het hof:
- wijst het verzoek af,
- veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het verzoek, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 313,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris voor de advocaat en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij het uitblijven van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Dulek-Schermers, J. Kramer en M.A.B. Chao Duivis en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2009 in aanwezigheid van de griffier.