ECLI:NL:GHSGR:2009:BI3543
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- R.S. van Coevorden
- Th. W.H.E. Schmitz
- M.J. van der Ven
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtsverhouding tussen meewerkende partner en vennootschap
De appellant trad op 9 januari 1995 in dienst bij de vennootschap op basis van een arbeidsovereenkomst. Na 1 oktober 1997 breidde zij haar werkzaamheden uit en werkte zij niet langer voor derden. Vanaf die datum ontving zij geen loonstroken meer en werd zij wekelijks contant betaald zonder kwitanties. De vennootschap claimde meewerkaftrek in de belastingaangiften.
De appellant vorderde achterstallig loon en stelde dat zij op basis van een arbeidsovereenkomst werkte, terwijl de geïntimeerden stelden dat de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden was beëindigd en dat zij daarna als meewerkende partner werkte zonder arbeidsovereenkomst of opdracht.
Het hof oordeelde dat het rechtsvermoeden van artikel 7:610a BW was ontzenuwd. Er was geen gezagsverhouding zoals bij een arbeidsovereenkomst, de betalingen waren niet als loon te kwalificeren en de appellant stemde in met beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De rechtsverhouding was een eigensoortige, die niet als overeenkomst van opdracht kon worden gekwalificeerd.
Het hof verklaarde de appellant niet ontvankelijk in het beroep tegen het tussenvonnis, verwierp de grieven tegen het eindvonnis en bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Middelburg. De proceskosten werden gecompenseerd gezien de familieverhoudingen.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat de appellant niet langer op basis van een arbeidsovereenkomst werkte na 1 oktober 1997.