ECLI:NL:GHSGR:2009:BI1711

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
31 maart 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
105.004.740/01, C06/528 (Oud)
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:226 BWArt. 7A:1612 BW oud
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Koop breekt geen huur: aanvaarding onderhuur door koper bedrijfspand

In deze zaak stond centraal of de koper van een bedrijfspand de onderhuur, die door de vorige eigenaar was toegestaan, moest accepteren. De oorspronkelijke verhuurder had het pand verhuurd aan een huurder die het vervolgens onderverhuurde. De onderhuur was bekend en toegestaan door de verhuurder.

De koper van het pand verwierp de onderhuur, maar het hof oordeelde dat op grond van de regel 'koop breekt geen huur' (artikel 7:226 BW Pro) de koper gebonden is aan de bestaande huurovereenkomst inclusief de onderhuur. Deze regel houdt in dat een nieuwe eigenaar de huurovereenkomst en de rechten van de huurder moet respecteren.

Het hof bevestigde het eerdere vonnis van de rechtbank Rotterdam en verwierp alle grieven van de appellant. Het bewijsaanbod van de appellant werd als niet ter zake dienend gepasseerd. De kosten van het hoger beroep werden aan de appellant opgelegd.

Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en oordeelt dat de koper de onderhuur moet aanvaarden.

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
Sector handel
Zaaknummer : 105.004.740/01
Rolnummer (oud) : 06/528
Zaak-rolnummer rechtbank: 645351 CV EXPL 05-20480/141
Arrest van de negende civiele kamer d.d. 31 maart 2009
inzake
[appellant],
appellant,
hierna te noemen: [appellant],
advocaat: mr. E. Grabandt te ‘s-Gravenhage,
tegen
[de huurder] B.V.,
gevestigd te [Plaatsnaam],
geïntimeerde,
hierna te noemen: [de huurder],
advocaat: mr. L.M. Bruins te ‘s-Gravenhage,
Het geding
Bij exploot van 21 maart 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van
27 januari 2006 dat de rechtbank Rotterdam, sector kanton, tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke grieven [de huurder] bij memorie van antwoord (met één productie) heeft bestreden. Ten slotte hebben partijen stukken overgelegd voor arrest.
De beoordeling van het hoger beroep
1. De in het vonnis onder “De vaststaande feiten”vastgestelde feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof van deze feiten zal uitgaan.
2. In hoger beroep staat de vraag centraal of de regel “koop breekt geen huur”(artikel 7A:1612 BW oud/7:226 BW) meebrengt dat [appellant] als koper van het aan [de huurder] verhuurde bedrijfspand aan de [Straatnaam] te [Plaatsnaam] onderverhuur heeft te aanvaarden. Met de rechtbank beantwoordt het hof deze vraag bevestigend. Redengevend voor dit oordeel is het volgende.
3. Het bedrijfspand was door de toenmalige eigenaar, Skol Brouwerijen B.V. met ingang van 1 september 1980 verhuurd aan [X] en zijn echtgenote [Y]. Verhuurder, Skol Brouwerijen B.V., is opgevolgd door haar rechtsopvolgster Interbrew Brouwerijen N.V (“Interbrew”). Huurders zijn opgevolgd door [de huurder]. Volgens een schriftelijke verklaring van Interbrew van 20 oktober 2005 (productie 1 bij conclusie van dupliek) was het Interbrew bekend dat het verhuurde pand werd onderverhuurd en heeft zij dit toegestaan. [X] en later [de huurder] exploiteert bedrijfsmatig speelautomaten en, zoals in dit geval, verhuurt horecabedrijfsruimte waarbij wordt bedongen dat de (onder)huurder speelautomaten van [de huurder] afneemt en in de gehuurde horecaruimte plaatst. Interbrew heeft het verhuurde pand verkocht aan [Z]. In het kader van deze koop heeft Interbrew op 9 december 1997 een brief aan [Z] gezonden (productie 5 bij inleidende dagvaarding) waarin zij hem erop wijst dat er een hoofdhuurder (onderstreping hof) is die ook automatenleverancier is en “dus zijn belangen in het, in het pand gevestigde horecabedrijf” heeft. Op grond van de regel “koop breekt geen huur”, toen verankerd in artikel 1612 BW Pro, was [Z] als nieuwe eigenaar gebonden aan de aanvaarding van de onderhuur door de vorige eigenaar/verhuurder, Interbrew (zie ook HR 11 december 1981, NJ 1982, 239). Hetzelfde geldt voor [appellant] als nieuwe eigenaar van het pand op grond van koop van [Z] in 2004 (de regel was toen verankerd in artikel 7:226 BW Pro).
4. Alle grieven stuiten hierop af. Nu er geen stellingen zijn die, indien juist, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, wordt het bewijsaanbod van [appellant] als niet ter zake dienend gepasseerd. De rechtbank heeft terecht het primaire, op genoemde regel gebaseerde, verweer tegen de vordering van [appellant] gehonoreerd. Het vonnis zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van het hoger beroep hebben te dragen.
Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep
veroordeelt [appellant] in de proceskosten, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [de huurder] begroot op € 248,= aan verschotten en € 894,= (1 punt tarief II) aan salaris voor de advocaat.
Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, R.C. Schlingemann en A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 maart 2009 in aanwezigheid van de griffier.