ECLI:NL:GHSGR:2009:BH5597
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.C. Fasseur-van Santen
- E.J. van Sandick
- W.A.J. van Lierop
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van uittreegeld en statutaire bepalingen van tuinbouwcoöperatie in mededingingsrechtelijke context
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of het door de coöperatie Westland geheven uittreegeld van €21.964,80, berekend op basis van 1,25% van de gemiddelde bruto-omzet van de laatste drie boekjaren, in strijd was met het mededingingsrecht, in het bijzonder artikel 81 lid 1 EG Pro (voorheen artikel 85 EG Pro-verdrag).
Vromans, lid van de coöperatie, had haar lidmaatschap opgezegd vanwege een fusie en betwistte de rechtmatigheid van de heffing van het uittreegeld, mede gezien de statutaire bepalingen omtrent een exclusieve leveringsplicht en een verplichte ledenlening. Het hof toetste deze bepalingen aan het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (HvJEG) in zaak C-399/93 en aan eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
Het hof oordeelde dat het uittreegeld niet buitensporig is en dat de statutaire bepalingen niet verder gaan dan noodzakelijk zijn voor de goede werking en duurzaamheid van de coöperatie. Ook werd geoordeeld dat er geen sprake was van misbruik van machtspositie door Westland. De grief van Vromans werd verworpen en de bestreden vonnissen werden bekrachtigd. Vromans werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en oordeelt dat het uittreegeld niet in strijd is met artikel 81 lid 1 EG.