ECLI:NL:GHSGR:2009:BH0366
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- van Leuven
- Kamminga
- van Montfoort
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep internationale kinderontvoering: weigeringsgrond artikel 13 lid 1 sub b Verdrag toegepast
In deze zaak stond de teruggeleiding van een minderjarige naar Spanje centraal, waarbij de moeder in hoger beroep ging tegen de beschikking van de rechtbank die teruggeleiding gelastte. De moeder betwistte onder meer de vaststelling van de gewone verblijfplaats van de minderjarige en het gezamenlijk gezag van de ouders volgens Spaans recht.
Het hof oordeelde dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige onmiddellijk voorafgaand aan de overbrenging naar Nederland in Spanje was, gelet op de duur van het verblijf, het gezinsverband en maatschappelijke banden. Tevens stelde het hof vast dat op grond van Spaans recht sprake was van gezamenlijk gezag, waardoor de vader mede gezag had op het moment van overbrenging.
Belangrijk was de toepassing van de weigeringsgrond uit artikel 13 lid 1 sub b van Pro het Verdrag inzake internationale kinderontvoering. Het hof concludeerde dat er een ernstig risico bestond dat de minderjarige bij terugkeer aan Spanje geestelijk gevaar zou worden blootgesteld, mede door onvoldoende waarborgen en passende voorzieningen in Spanje. Daarom werd het verzoek tot teruggeleiding afgewezen.
Het hof vernietigde de beschikking van de rechtbank en droeg de Centrale Autoriteit op het dossier te zenden aan de rechter van de plaats waar de minderjarige zijn gewone verblijfplaats had vóór de overbrenging. Het hof vond het niet raadzaam de minderjarige te horen vanwege zijn leeftijd en rijpheid.
De uitspraak benadrukt het restrictief toepassen van teruggeleidingsverzoeken en het belang van adequate bescherming van kwetsbare kinderen bij internationale kinderontvoeringszaken.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarige naar Spanje af wegens ernstig risico op geestelijk gevaar.