ECLI:NL:GHSGR:2008:BG3738
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen nieuwe verzettermijn voor failliet die zijn verblijfplaats niet bekendmaakt
De zaak betreft het hoger beroep van [de man] tegen de beschikking van de rechtbank die hem in staat van faillissement heeft verklaard. [De man] verzocht om een nadere termijn voor het instellen van verzet tegen het faillissementsvonnis, omdat hij van mening was dat de betekening niet rechtsgeldig was vanwege onbekendheid van zijn verblijfplaats. Hij stelde dat hij in Zweden woonde en dat de Nederlandse rechter onbevoegd was.
Het hof oordeelde dat de termijn voor het instellen van verzet kort is en dat van [de man] een voortvarende aanpak mocht worden verlangd. Zijn verzoek om een langere termijn werd afgewezen omdat hij zijn adresgegevens niet bekend wilde maken en zich schuil hield voor schuldeisers. Het hof vond het niet aannemelijk dat hij daadwerkelijk een bekende verblijfplaats in Zweden had op het moment van de faillietverklaring.
Verder faalde het beroep op het Haags Betekeningsverdrag en de EG-Betekeningsverordening, evenals het beroep op artikel 6 EVRM Pro, omdat [de man] niet aannemelijk had gemaakt dat hij buiten zijn schuld niet in de gelegenheid was geweest zich te verweren. Het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in het hoger beroep en veroordeelde hem in de kosten.
Uitkomst: Appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard in hoger beroep wegens termijnoverschrijding en het niet bekendmaken van zijn verblijfplaats.