ECLI:NL:GHSGR:2008:BF7002
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- C.G. Beyer-Lazonder
- J.W. van Rijkom
- R.C. Schlingemann
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kennelijk onredelijk ontslag wegens bedrijfseconomische redenen en arbeidsongeschiktheid
De werknemer trad in 1998 in dienst bij de werkgever als schilder. In 2004 vroeg de werkgever een ontslagvergunning aan wegens bedrijfseconomische redenen, die werd verleend. De arbeidsovereenkomst werd opgezegd met ingang van 19 juli 2004. De werknemer stelde dat het ontslag kennelijk onredelijk was, onder meer omdat de opgegeven reden onjuist was en de gevolgen voor hem te ernstig.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat het ontslag niet kennelijk onredelijk was, omdat de bedrijfseconomische reden gegrond was en de gevolgen van het ontslag niet te ernstig. De werknemer ging in hoger beroep en voerde aan dat de kantonrechtersformule als maatstaf moest worden genomen voor de vergoeding.
Het hof stelde vast dat het ontslag kennelijk onredelijk was, mede omdat de financiële situatie van de werkgever onvoldoende onderbouwd was om een vergoeding te weigeren. Het hof hanteerde de kantonrechtersformule met een C-factor van 0,5 en kende een vergoeding toe van €7.500 bruto. De vordering tot buitengerechtelijke kosten werd afgewezen en partijen werden in hun eigen kosten gesteld.
Uitkomst: Het gerechtshof verklaart het ontslag kennelijk onredelijk en veroordeelt de werkgever tot betaling van €7.500 bruto schadevergoeding met wettelijke rente.