ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5586
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter bij negatieve verklaring voor recht in internationaal wegvervoer na Streitverkündung in Duitsland
In deze zaak staat centraal de vraag of de Nederlandse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot een negatieve verklaring voor recht in een geschil over de diefstal van een zending cosmetica, terwijl er meerdere procedures in Duitsland lopen over dezelfde zaak. IRF, de afzender, en Cremers, de vervoerder, zijn partijen in een internationaal wegvervoercontract waarop de CMR van toepassing is.
IRF betoogde dat door de Duitse procedures en de zogenaamde Streitverkündung een eerdere procedure aanhangig was, waardoor de Nederlandse rechter niet bevoegd zou zijn. Het hof oordeelde dat een Streitverkündung niet leidt tot aanhangigheid van een procedure in de zin van artikel 31 lid 2 CMR Pro en dat een negatieve verklaring voor recht een rechtens te respecteren instrument is dat niet strijdig is met de CMR.
Verder concludeerde het hof dat de erkennings- en executieregelingen van de CMR en de EEX-Verordening van toepassing zijn, maar dat deze niet leiden tot onbevoegdverklaring van de Nederlandse rechter. Het verzoek van IRF tot aanhouding van de Nederlandse procedure werd afgewezen omdat een aanhouding niet zou voorkomen dat tegenstrijdige uitspraken worden gedaan. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank Rotterdam en veroordeelde IRF in de kosten.
Uitkomst: Het hof bevestigt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en wijst het verzoek tot aanhouding af.