ECLI:NL:GHSGR:2008:BC3375
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep kort geding
- P. Ingelse
- N. van Lingen
- A. Rutten-Roos
- Rechtspraak.nl
Bevel tot doorzending van post aan vertrokken echtgenoot met dwangsom
In deze zaak tussen voormalige partners X en Z staat de doorzending van post centraal nadat X de gezamenlijke woning heeft verlaten. Het hof bevestigt dat Z verplicht is om post die aan haar adres wordt bezorgd en bestemd is voor X en aan hem gelieerde bedrijven binnen een week na ontvangst door te sturen. Om naleving van dit bevel af te dwingen, wordt een dwangsom van €5 per poststuk opgelegd, met een maximum van €5.000.
Andere vorderingen van X, zoals het verkrijgen van het paspoort van hun minderjarige dochter en toegang tot de woning om persoonlijke goederen uit een kluis te halen, worden afgewezen wegens onvoldoende spoedeisendheid of ongeschiktheid voor kort geding. Z heeft verklaard bepaalde goederen vrijwillig af te geven, en het hof gaat ervan uit dat zij hieraan zal meewerken.
De door Z ingestelde reconventionele vordering tot betaling van €150.000 wordt niet toegelaten omdat deze niet in eerste aanleg is ingesteld en onvoldoende onderbouwd is. Het hof vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vordering tot doorzending van post toe, wijst overige vorderingen af en compenseert de proceskosten zodat ieder zijn eigen kosten draagt.
Uitkomst: Z wordt bevolen post bestemd voor X binnen een week door te sturen met een dwangsom van €5 per poststuk tot maximaal €5.000, overige vorderingen worden afgewezen.