ECLI:NL:GHSGR:2007:BB3885
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- C.G. Beyer-Lazonder
- J.W. van Rijkom
- V. Disselkoen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verjaring en aansprakelijkheid bij betaling uit vaststellingsovereenkomst na verkoop kantorencomplex
In deze civiele zaak draait het om de verkoop van een kantorencomplex en de daaropvolgende huurgarantie, waarbij ING als rechtsopvolger van een bank een vordering instelt tegen voormalige kantoorhouders en advocaten wegens wanprestatie en onrechtmatige daad.
De kern van het geschil betreft een bedrag van ƒ 675.000,- dat via een vaststellingsovereenkomst aan Escensum werd betaald, maar via de advocaat van Escensum op een derdenrekening werd ontvangen. ING stelt dat deze advocaat het bedrag ten onrechte niet aan haar heeft doorbetaald, wat schade veroorzaakt.
De rechtbank wees de vordering af wegens verjaring. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat ING al in 1997 bekend was met de betaling aan de advocaat en het uitblijven van doorbetaling, waardoor de verjaringstermijn toen is gestart. Ook het beroep op stuiting van verjaring faalt omdat de brief van ING niet specifiek op de advocaat gericht was voor stuiting.
De vordering tegen de advocaten en maatschappen wordt eveneens afgewezen wegens verjaring. Het hoger beroep van ING wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.
Uitkomst: De vordering van ING wordt afgewezen wegens verjaring en ING wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.