ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9857
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Tanja-van den Broek
- Reinking
- Draijer-Udo
- Rechtspraak.nl
Bevestiging voorlopige omgangsregeling met begeleide omgang in omgangshuis
De zaak betreft een geschil over de omgang tussen een vader en zijn minderjarige zoon die bij de moeder verblijft. De moeder kwam in hoger beroep tegen een voorlopige beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin een omgangsregeling werd vastgesteld waarbij de omgang begeleid zou plaatsvinden in het Rotterdams Omgangshuis. De moeder voerde onder meer aan dat het hoger beroep niet ontvankelijk was omdat het slechts een tussenbeschikking betrof, dat het beginsel van hoor en wederhoor was geschonden, dat het deskundigenrapport van de raad voor de kinderbescherming moest worden afgewacht en dat de motivering van de omgangsregeling onvoldoende was.
Het hof oordeelde dat er sprake was van een eindbeschikking omdat de omgangsregeling een vastgestelde periode betrof en dat de moeder derhalve ontvankelijk was in haar hoger beroep. Het belang van het hoger beroep werd bevestigd omdat het rapport van de raad inmiddels was afgerond en de vader nog steeds de mogelijkheid had om nakoming van de omgangsregeling te vorderen. Het hof stelde vast dat de moeder en haar advocaat op de hoogte waren van de zittingsdatum en dat er geen schending was van het hoor en wederhoor. Het hof verwierp de grief dat het rapport van de raad moest worden afgewacht, aangezien dit inmiddels was voltooid en het rapport geen zwaarwegende belangen tegen omgang bevatte.
Ten slotte oordeelde het hof dat de bestreden beschikking voldoende was gemotiveerd, met name omdat begeleide omgang werd voorgeschreven en de raad voor de kinderbescherming het contact tussen vader en kind ondersteunde. Het hof bekrachtigde daarom de bestreden beschikking en bevestigde de voorlopige omgangsregeling met begeleide omgang in het omgangshuis.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de voorlopige beschikking die een begeleide omgangsregeling in het Rotterdams Omgangshuis vaststelt.