ECLI:NL:GHSGR:2007:BA9067
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Tanja van den Broek
- Van Leuven
- Fockema Andreae Hartsuiker
- Rechtspraak.nl
Beoordeling wachttijd bij zelfdoenersprocedure interlandelijke adoptie niet onrechtmatig
Appellant wilde een kind uit Nepal adopteren via de zelfdoenersprocedure zoals beschreven in artikel 7a van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (Wobka). Hij verzocht om verkorting van de wachttijd voorafgaand aan de procedure tot het verkrijgen van beginseltoestemming, omdat hij een concreet kind voor ogen had. De Staat hield vast aan de wachttijd, die gemiddeld 26 maanden bedraagt, en wees het verzoek af.
Het hof stelde vast dat appellant ontvankelijk was in zijn hoger beroep, maar dat hij geen belang meer had bij het verzoek om voorrang. De kernvraag was of de Staat onrechtmatig handelde door vast te houden aan de wachttijd, ook nu appellant gebruik maakte van de zelfdoenersprocedure en een concreet kind voor ogen had.
Het hof overwoog dat het belang van het kind en diens biologische moeder bij een spoedige adoptie niet zonder meer wordt gediend door voorrang te verlenen aan appellant. De wachttijd is mede ingegeven door het beperkte aanbod van adoptiekinderen en de noodzaak om de zorgvuldigheid van de adoptieprocedure te waarborgen. Voorts achtte het hof het niet onredelijk dat de Staat ook bij de zelfdoenersprocedure de uitgangspunten van het Haags Adoptieverdrag volgt, dat volledige bemiddeling het belang van het kind het best dient.
Het hof concludeerde dat het hanteren van de wachttijd jegens appellant niet onrechtmatig is en bekrachtigde het vonnis van de voorzieningenrechter. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof oordeelt dat het vasthouden aan de wachttijd bij de zelfdoenersprocedure niet onrechtmatig is en bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter.