ECLI:NL:GHSGR:2007:BA4257
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- S.C.H. Koning
- C.G.M. van Rijnberk
- D.J.C. van den Broek
- Rechtspraak.nl
Openbaar ministerie niet-ontvankelijk in ontnemingsvordering wegens verjaring en overschrijding redelijke termijn
Deze zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 oktober 2001 inzake ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De veroordeelde werd eerder veroordeeld voor deelname aan een criminele organisatie en medeplegen van overtredingen van de Opiumwet. Het hof onderzocht de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de ontnemingsvordering, met name met betrekking tot verjaring en de redelijke termijn.
De verdediging stelde dat de vordering verjaard was voor de handel in softdrugs onder 30 gram, waarop het hof oordeelde dat verjaring inderdaad een beletsel vormt voor deze feiten. Het hof benadrukte dat de ontnemingsprocedure een onderdeel is van de strafprocedure en dat artikel 70 Sr Pro van toepassing is. Bovendien oordeelde het hof dat de rechtbank terecht geen straf had opgelegd voor deze overtredingen en dat ontneming daarom niet meer mogelijk is.
Daarnaast werd het verweer van overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro behandeld. Het hof stelde vast dat de ontnemingsprocedure al lang duurde, met beslag op goederen van grote waarde die de veroordeelde ernstig belemmerden. Het openbaar ministerie had bovendien de gestelde termijnen overschreden, wat het belang van de gemeenschap bij voortzetting van de vervolging niet rechtvaardigde.
Het hof vernietigde het vonnis waarvan beroep en verklaarde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering, waarmee de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd afgewezen.
Uitkomst: Het openbaar ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.