ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3418

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 april 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
22-000081-07
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • I. Ritter
  • J. Kramer
  • S. van Dissel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 57 SrArt. 197 SrArt. 285 Sr (oud)Art. 302 Sr
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging tot doodslag en veroordeling poging zware mishandeling en bedreiging met steekwapen

In hoger beroep heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage het vonnis van de rechtbank Rotterdam vernietigd. De verdachte werd vrijgesproken van poging tot doodslag omdat niet wettig en overtuigend kon worden vastgesteld dat hij met de in beslag genomen schaar heeft gestoken of stekende bewegingen heeft gemaakt die gericht waren op levensberoving.

Wel is bewezen verklaard dat de verdachte een persoon, die op de grond lag, met een schaar in het bovenlichaam heeft gestoken en met stekende en hakkende bewegingen richting het hoofd en bovenlichaam heeft bewogen. Dit handelen getuigt van opzet, ten minste voorwaardelijk, om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Daarnaast bedreigde hij het slachtoffer met een snijbeweging langs de keel, wat angst aanjoeg.

Verder verbleef de verdachte als vreemdeling in Nederland terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Gezien zijn eerdere veroordelingen en de ernst van de feiten legde het hof een gevangenisstraf van 20 maanden op, met aftrek van voorarrest.

Het hof motiveerde dat de bemoeizucht en krenkende opmerkingen van het slachtoffer de verdachte niet rechtvaardigden om te handelen zoals bewezenverklaard. Het vonnis is gewezen na onderzoek in eerste aanleg en hoger beroep, waarbij de verdachte hoger beroep instelde tegen zijn eerdere veroordeling.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging tot doodslag, veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf voor poging zware mishandeling, bedreiging en illegaal verblijf.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000081-07
Parketnummer: 10-641310-06
Datum uitspraak: 19 april 2007
TEGENSPRAAK
Gerechtshof te 's-Gravenhage
meervoudige kamer voor strafzaken
Arrest
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 21 december 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] (Etiopië) op [geboortedag] 1971,
thans gedetineerd [detentie-adres].
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 5 april 2007.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair, 2 en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Vrijspraak
Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 impliciet primair is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan - overeenkomstig de vordering van de
advocaat-generaal - behoort te worden vrijgesproken. Met name is hierbij overwogen dat niet geheel duidelijk is of de verdachte heeft gestoken c.q. stekende bewegingen heeft gemaakt met de schaar die in het kader van het onderzoek is veiliggesteld, dan wel met een kleinere niet heel scherpe schaar. Het hof heeft derhalve niet kunnen vaststellen dat het opzet van de verdachte, ook niet in de zin van voorwaardelijk opzet, is gericht geweest op de levensberoving van het slachtoffer.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van het onder 1 impliciet subsidiair bewezenverklaarde:
Poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:
Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.
Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:
Als vreemdeling in Nederland verblijven, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden, dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling is verklaard.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Strafmotivering
De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep, tot vrijspraak van de verdachte terzake van het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek van voorarrest.
Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft een persoon, die op de grond lag, met een schaar in het bovenlichaam gestoken en voorts met die schaar stekende en hakkende bewegingen gemaakt in de richting van het bovenlichaam en het hoofd van die persoon. Door op de bewezenverklaarde wijze te handelen heeft de verdachte, gelet op het steekwapen en de plaatsen op het lichaam waar de verdachte het slachtoffer raakte danwel probeerde te raken, - op zijn minst het voorwaardelijke - opzet gehad om de verdachte zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waarbij van geluk gesproken mag worden dat het handelen van de verdachte uiteindelijk heeft geresulteerd in slechts kleine verwondingen bij het slachtoffer.
Hoewel het hof heeft begrepen dat de bemoeizucht en de krenkende opmerkingen van het latere slachtoffer de verdachte in het verkeerde keelgat zijn geschoten - de verdachte was naar eigen zeggen slechts in de buurt van de kerk om een vriend op te zoeken toen het latere slachtoffer toenadering zocht tot de verdachte omdat hij hem niet vertrouwde, waarna dit latere slachtoffer hem onder meer de woorden toevoegde dat mensen zoals de verdachte achter de tralies horen - had de verdachte echter nog niet mogen handelen zoals bewezenverklaard.
Voorts heeft de verdachte, na de voornoemde steekpartij, het slachtoffer bedreigd door een snijbeweging met zijn hand langs zijn keel te maken. Dit is een feit dat geëigend is angst op te roepen bij het slachtoffer.
Daarnaast heeft de verdachte als vreemdeling verbleven in Nederland terwijl hij wist dat hij tot ongewenst vreemdeling was verklaard. Aldus handelende heeft de verdachte er blijk van gegeven aanwijzingen van de Nederlandse overheid niet te respecteren.
Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 21 februari 2007, reeds eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten en zeer veelvuldig voor overtreding van artikel 197 van Pro het Wetboek van Strafrecht, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.
Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 57, 197, 285(oud) en 302 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
20 (twintig) maanden.
Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Dit arrest is gewezen door mr. I. Ritter,
mr. J. Kramer en mr. S. van Dissel,
in bijzijn van de griffier mr. L. Hansman.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 19 april 2007.