ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ9365
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Oosterhof
- Aler
- Heemskerk
- Rechtspraak.nl
Veroordeling wegens medeplegen foltering en schending van oorlogsrecht in Afghanistan
De zaak betreft een verdachte die in de jaren tachtig in Kabul, Afghanistan, als hoofd van de militaire inlichtingendienst KhAD-e-Nezami en plaatsvervangend minister van de Staatsveiligheid, werd beschuldigd van ernstige oorlogsmisdaden en foltering. De rechtbank stelde vast dat hij medepleger was van foltering van twee slachtoffers en dat hij het toeliet dat ondergeschikten oorlogsmisdaden pleegden tegen een derde slachtoffer.
De verdediging voerde onder meer aan dat de Nederlandse rechter niet bevoegd was vanwege het ontbreken van internationale jurisdictie bij een niet-internationaal conflict en dat de beschuldigingen verjaard waren. Het hof verwierp deze verweren en bevestigde de universele jurisdictie van Nederland op grond van de Wet oorlogsmisdrijven en de Uitvoeringswet folteringsverdrag.
Het bewijs bestond uit getuigenverklaringen, waaronder stemherkenning, verklaringen van slachtoffers en deskundigenrapporten. Ondanks de moeilijke omstandigheden van het onderzoek, oordeelde het hof dat het bewijs overtuigend was. De verdachte werd veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf, rekening houdend met de ernst van de feiten, zijn invloedrijke positie en de blijvende psychische schade bij de slachtoffers.
Het hof wees ook de bezwaren tegen het gebruik van verklaringen uit het IND-proces af en oordeelde dat het proces eerlijk was verlopen. De verdachte werd vrijgesproken van enkele tenlasteleggingen die niet bewezen konden worden. De uitspraak onderstreept het belang van universele jurisdictie bij ernstige internationale misdrijven, ook bij niet-internationale conflicten.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf voor medeplegen van foltering en het toestaan van schendingen van oorlogsregels.