ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4361

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 november 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
5176\06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 577c SvArt. 574 SvArt. 575 SvArt. 576 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging lijfsdwang wegens niet-betaling ontnemingsvordering

De veroordeelde is bij onherroepelijk arrest van het hof verplicht tot betaling van €40.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Tot op heden heeft hij geen betaling verricht en is geen woon- of verblijfplaats bekend. Verhaal op zijn vermogen is niet mogelijk.

De officier van justitie heeft daarom een vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang ingediend ex artikel 577c Sv. Deze vordering is behandeld in raadkamer, waarbij de veroordeelde niet is verschenen.

Het hof stelt vast dat de veroordeelde niet aan zijn betalingsverplichting voldoet, noch aannemelijk heeft gemaakt dat hij daartoe niet in staat is. Het hof acht de voorwaarden voor toewijzing van de vordering aanwezig, maar beperkt de duur van de lijfsdwang tot 365 dagen in plaats van de gevorderde 800 dagen, omdat de langere duur gebaseerd is op een verouderde omrekenmaatstaf. De beschikking is uitgesproken op 8 november 2006.

Uitkomst: Vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang toegewezen voor 365 dagen wegens niet-betaling ontnemingsbedrag van €40.000.

Uitspraak

rolnummer 22-006568-04 PO
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
raadkamer
BESCHIKKING
op de vordering van de landelijk executieofficier van justitie ex artikel 577c lid 1 van het Wetboek van Strafvordering betreffende de veroordeelde:
[veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
zonder vaste woon- of verblijfplaats hier ten lande.
Procesgang
Aan de veroordeelde is bij inmiddels onherroepelijk geworden arrest van dit hof van 22 april 2005 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot het betalen aan de Staat van een bedrag van € 40.000,00. De veroordeelde heeft tot op heden nog geen enkele betaling verricht. Van de veroordeelde is geen woon- of verblijfplaats bekend. Beslag of verhaal op het vermogen van de veroordeelde is niet mogelijk.
Bij het uitblijven van betaling en de onmogelijkheid van verhaal heeft de aan het Centraal Justitieel Incasso Bureau verbonden officier van justitie d.d. 17 mei 2006 een vordering ‘verlof tenuitvoerlegging lijfsdwang’ ex artikel 577c van het Wetboek van Strafvordering aan de advocaat-generaal bij dit hof gezonden. De advocaat-generaal heeft deze vordering aan het hof doorgeleid.
De vordering ex artikel 577c Wetboek van Strafvordering is door het hof behandeld op 25 oktober 2006 in het openbaar in raadkamer. De veroordeelde – hoewel behoorlijk opgeroepen - noch een raadsman is ter zitting verschenen.
Beoordeling van de vordering ex artikel 577c Sv.
Indien de veroordeelde niet aan het vonnis of arrest waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een
geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel voldoet en volledig verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 van het Wetboek van Strafvordering op diens vermogen niet mogelijk is gebleken, kan de rechter op vordering van het openbaar ministerie verlof tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang van ten hoogste drie jaar verlenen.
De advocaat-generaal heeft in raadkamer tenuitvoerlegging van 800 dagen lijfsdwang gevorderd.
In raadkamer is gebleken dat de veroordeelde tot op heden niet aan het arrest d.d. 22 april 2005, waarbij de verplichting is opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, heeft voldaan. Voorts is verhaal op grond van de artikelen 574 tot en met 576 Wetboek van Strafvordering op het vermogen van de veroordeelde niet mogelijk gebleken. Tevens heeft de veroordeelde niet aannemelijk gemaakt dat hij thans buiten staat is om aan zijn betalingsverplichting te voldoen.
Het hof acht op grond van het bovenstaande termen aanwezig om de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang toe te wijzen, echter niet voor de duur van de gevorderde 800 dagen, maar voor de duur van 365 dagen. De duur van 800 dagen is kennelijk gebaseerd op een niet meer gebruikte omrekenmaatstaf van € 50,00 per dag. Het hof sluit zich aan bij de door het hof bij omrekening van geldboetes gehanteerde maatstaf, die in dit geval uitkomt op 365 dagen. Een gijzeling van deze duur zal een voldoende prikkel kunnen zijn voor de veroordeelde om liever naar vermogen te betalen. Hierom acht het hof extra verlenging in dit geval niet nodig.
Beslissing:
Het hof:
Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging van lijfsdwang toe en stelt de duur van de lijfsdwang vast op 365 dagen.
Wijst het meer gevorderde af.
Deze beschikking is gegeven door
mr. S.C.H. Koning, vice-president tevens voorzitter,
mrs. C.G.M. van Rijnberk en S.K. Welbedacht, raadsheren,
in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2006.
Deze beschikking is ondertekend door de voorzitter en de griffier.