ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4153
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In ’t Velt-Meijer
- M. van Coeverden
- J.W. van Rijkom
- Rechtspraak.nl
Ontbinding huurovereenkomst wegens herhaalde softdrugshandel vanuit woning door partner van huurster
De huurster huurde sinds 1995 een woning die zij samen met haar partner en kinderen bewoonde. De woning werd gebruikt voor de handel in softdrugs door haar partner, wat leidde tot ernstige overlast in de buurt. Ondanks waarschuwingen en politieonderzoeken bleef de handel voortduren.
De woningstichting vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens deze tekortkomingen. De huurster werd door de politierechter vrijgesproken, maar haar partner werd veroordeeld voor drugshandel vanuit de woning. Het hof oordeelde dat de huurster op grond van artikel 7:219 BW Pro aansprakelijk is voor het handelen van haar partner, aangezien hij met haar goedvinden de woning gebruikte.
De huurster voerde verweren aan tegen het gebruik van bewijs en stelde geen wetenschap te hebben gehad van de handel na september 2003, maar het hof verwierp deze verweren wegens onvoldoende onderbouwing en het ontbreken van actieve maatregelen om de handel te stoppen.
De belangen van de kinderen van de huurster werden meegewogen, maar vormden geen beletsel voor ontruiming. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de huurster tot betaling van de proceskosten.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming wegens herhaalde softdrugshandel door de partner van de huurster.