Uitspraak
MINISTRY OF DEFENCE AND SUPPORT FOR ARMED FORCES OF THE ISLAMIC REPUBLIC OF IRAN,
ISLAMIC REPUBLIC OF IRAN, meer in het bijzonder het MINISTRY OF DEFENCE AND SUPPORT FOR ARMED FORCES OF THE ISLAMIC REPUBLIC OF IRAN,
9.
termination accountdiende op te stellen die vergezeld diende te zijn van een “Chartered Accountant Certificate acceptable to the Buyer [Modsaf, hof] confirming accuracy of the figures shown”. In de termination accounts moesten (a) de door IMS voor de uitvoering van het contract gemaakte kosten worden afgezet tegen (b) de door Modsaf verrichte vooruitbetalingen, zodat (c) daaruit zou blijken of IMS nog iets van Modsaf te vorderen zou hebben of omgekeerd, en zo ja: hoeveel. De door IMS voor beide contracten opgestelde en op 28 juni 1984 aan Modsaf overgelegde termination accounts (hierna: “de 1984-termination accounts”) gingen uit van de situatie per 31 mei 1983 en kwamen er op neer dat Modsaf onder het ARV-contract nog een bedrag van £ 20.620.521 aan IMS verschuldigd was en dat IMS onder het P 4030-contract aan Modsaf nog een bedrag van £ 5.016.000 verschuldigd was. Modsaf heeft de 1984-termination accounts respectievelijk de daarop afgegeven
certificatesvan Price Waterhouse niet aanvaard.
Partial Final Award(hierna: de PFA) gewezen. IMS heeft bij de rechtbank te ’s-Gravenhage de vernietiging van de PFA gevorderd maar die vordering is afgewezen. Het vonnis van de rechtbank in die procedure is bekrachtigd door dit hof en het daartegen gerichte cassatieberoep is verworpen.
Addendum to the Final Award(hierna: het Addendum) gewezen, waarin op verzoek van IMS een aantal “typographical errors”, “mis-citations” en “incorrect references” zijn verbeterd in het eindvonnis in de 7071-procedure. Op dezelfde datum heeft het scheidsgerecht in de 9268-procedure een verzoek van IMS afgewezen.
eerste vernietigingsgrond
‘compliance issue’) en (b) is het
certificatevan Price Waterhouse aanvaardbaar voor Modsaf (de
‘chartered accountant issues’) (PFA onder 135). Met betrekking tot de
compliance issuebestaat volgens het scheidsgerecht geschil ten aanzien van de volgende vijf punten:
re-engining’ beschouwd worden als te zijn geleverd aan Iran (en daarom in rekening worden gebracht);
residual assets’ (onderdelen en geheel of gedeeltelijk voltooide producten die op de beëindigingsdatum nog aanwezig waren bij IMS of haar onderaannemers, hof) zijn verkocht;
fees for IMS of 2.5% on costs including fees” op te nemen;
termination cost’ in de zin van art. 16 (i) (c) van het P 4030-contract.
geschilpunt (i)besliste het scheidsgerecht dat de juiste prijs voor de tanks in het kader van het termination account £ 202.645 bedraagt (PFA onder 152).
geschilpunt (ii)besliste het scheidsgerecht dat de 8 tanks niet zijn geleverd en dat de koopprijs daarvoor niet kan worden opgenomen in the berekening van art. 16 (i) (a) (FPA onder 171).
geschilpunt (iii)besliste het scheidsgerecht dat rekening moet worden gehouden met de nog bij IMS aanwezige
residual assets,maar dat dit niet betekent dat deze assets moeten worden gewaardeerd aan de hand van de prijs die voor de voltooide tanks is betaald door Jordanië of het Britse leger. Welke waardering wel moet worden toegepast heeft het scheidsgerecht in het PFA uitdrukkelijk open gelaten.
geschilpunt (iv)heeft het scheidsgerecht beslist (FPA onder 225):
geschilpunt (v)besliste het scheidsgerecht dat het bedrag van £ 352.000 niet onredelijk is en dat het terecht is opgenomen in de op grond van art. 16 (i) (c) uitgevoerde berekening.
chartered accountant issuesoordeelt het scheidsgerecht dat Modsaf het
certificatevan Price Waterhouse terecht heeft verworpen.
certificate. Het scheidsgerecht overweegt dat het de voorkeur verdient dat partijen het
certificatezouden laten opstellen door een derde, onafhankelijke accountant, maar dat het scheidsgerecht vooralsnog niet zal overgaan tot de benoeming van een derde accountant nu Modsaf heeft voorgesteld de
certificationte laten uitvoeren door Price Waterhouse en Touche Ross tezamen. Het scheidsgerecht is van oordeel dat IMS, Price Waterhouse en Touche Ross zouden moeten samenwerken en proberen zoveel mogelijk overeenstemming te bereiken over de opstelling van de termination accounts en het
certficateen dat, indien geen overeenstemming kan worden bereikt over enig belangrijk onderwerp, alle geschilpunten zouden moeten worden voorgelegd aan het scheidsgerecht voor ‘
final decision’ (PFA onder 267).
residual assetsvan belang is. Het scheidsgerecht oordeelde hierover in dezelfde zin als ten aanzien van het termination account van het P 4030-contract (PFA onder 278).
residual assets;
should be credited with intereston the advance payments
received by (IMS)and held by it during the period from the termination of the contract until 31 May 1983” (onderstreping van het scheidsgerecht in het eindvonnis). Daarom is het juiste bedrag voor rente tussen 6 februari 1979 en 31 mei 1983 £ 12.845.747. Tot zover het scheidsgerecht.
calculated(onderstreping toegevoegd, hof)” wijst niet op enig verband met hetgeen IMS daadwerkelijk aan rente heeft ontvangen. Tenslotte verdient opmerking dat in het 1984-termination account van het P 4030-contract weliswaar een bedrag aan rente van £ 29.262.000 ten gunste van Modsaf is opgenomen, waarbij is toegelicht dat het gaat om “interst earned” tot 31 mei 1983, maar dat IMS op die creditering, voor zover betrekking hebbende op de periode beëindigingsdatum – 31 mei 1983 tijdens de arbitrage is teruggekomen en zich op het standpunt stelde (zie PFA onder 293) dat zij in dit opzicht niets aan Modsaf verschuldigd was. Het is dus niet zo dat de PFA aldus moet worden begrepen dat het scheidsgerecht voor de toe te wijzen rente aanknoping heeft willen zoeken bij hetgeen IMS in 1984 had berekend.
nietdiende plaats te vinden, namelijk niet aan de hand van de na beëindiging van het contract daadwerkelijk gerealiseerde opbrengsten bij verkoop van de voltooide tanks of ARV’s aan derden. Dit laatste zou volgens het scheidsgerecht slechts denkbaar zijn bij tanks of ARV’s die op de datum van beëindiging voltooid of praktisch voltooid waren. Tenslotte heeft het scheidsgerecht een mogelijke benadering voor de waardering van de residual assets beschreven (PFA onder 218), maar tegelijkertijd opgemerkt dat andere benaderingen denkbaar zijn (PFA onder 219). Als element dat mogelijk zou kunnen worden gehanteerd heeft het scheidsgerecht genoemd de vooruitzichten (het hof neemt aan: op de beëindigingsdatum) op de verkoop van voltooide tanks (PFA onder 215). Het voorgaande komt er op neer dat, ten aanzien van de waardering van residual assets, slechts dan van een ontoelaatbare discrepantie tussen de PFA en het eindvonnis kan worden gesproken, indien het scheidsgerecht in het eindvonnis de waarderingsmethode heeft toegepast die het in de PFA ontoelaatbaar had verklaard.
alledaadwerkelijk gemaakte kosten als kosten in de zin van art. 16 (i) (b) kunnen worden beschouwd. Reeds hierom bestaat geen discrepantie tussen de beslissing in de PFA en die in het eindvonnis, nog daargelaten dat het scheidsgerecht er kennelijk niet van overtuigd was dat alle door IMS opgevoerde kosten daadwerkelijk waren gemaakt (vgl. paragrafen 17.15 en 17.18 van het eindvonnis).
de mate van zekerheid bij certificeringswerkzaamheden
“properly”incurred”. Het scheidsgerecht voegde daar echter aan toe dat dit ook niet hoefde. Het certificate behoefde niet het woord “properly” te bevatten om aanvaardbaar te zijn voor Modsaf. Zie PFA onder 238. Het scheidsgerecht heeft in de PFA vervolgens, op andere gronden (voornamelijk op de grond dat Price Waterhouse niet onafhankelijk van IMS handelde toen zij het certificate afgaf), beslist dat Modsaf gerechtigd was het certificate te verwerpen. In het eindvonnis heeft het scheidsgerecht (onder 7.22) overwogen:
tweede vernietigingsgrond
Threshold Issueszomaar terzijde konden worden geschoven en dat IMS de bedragen in de termination accounts zou dienen te bewijzen. Uit de verdere toelichting op dit betoog blijkt dat IMS er niet zo zeer over klaagt dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om op de nieuwe stellingen van Modsaf te reageren, IMS geeft immers toe dat zij nog een conclusie mocht nemen (memorie van grieven onder 214), als wel over de omstandigheid dat zij geen bewijs mocht bijbrengen om haar reactie te ondersteunen. Volgens IMS heeft het scheidsgerecht uit het oog verloren dat ten aanzien van tegenbewijs niet mag worden verlangd dat het aanbod daartoe voldoende specifiek is. Tenslotte betoogt IMS dat zij in het Robson Rhodes rapport van fraude wordt beschuldigd ten aanzien van de “loading” kosten (die volgens Robson Rhodes ten onrechte in de termination accounts zouden zijn opgenomen), dat IMS niet mocht reageren op deze ernstige aantijging en dat het scheidsgerecht op basis van die aantijging omvangrijke bedragen uit de termination accounts heeft geschrapt, wederom zonder dat IMS daarop mocht reageren. Aangezien vast staat dat IMS heeft mogen reageren op het Robson Rhodes rapport (vergelijk memorie van grieven onder 213), vat het hof ook dit betoog van IMS zo op dat het de klacht behelst dat zij tegen die aantijgingen geen bewijs heeft mogen bijbrengen.
retained figureszou worden afgeweken indien was voldaan aan de
Treshold Issuesverwijst het hof voor de weerlegging van dit standpunt naar r.o. 3.27 en 3.28 van dit arrest.
derde vernietigingsgrond
doch uitsluitendvoor zover het scheidsgerecht daarin heeft beslist (i) dat de door IMS aan Modsaf verschuldigde rente over de periode 9 februari 1979 tot 31 mei 1983 £ 12.845.747 bedraagt en (ii) dat Modsaf aan IMS dient te vergoeden kosten uit hoofde van “legal, accountancy and management fees” van niet meer dan £ 250.000, in die zin dat als gevolg van deze partiële vernietiging ook het totaal door het scheidsgerecht aan Modsaf toegewezen bedrag van £ 140.599.570 vernietigd is voor dat deel dat £ 127.651.823 te boven gaat;