ECLI:NL:GHSGR:2005:AU1886
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In ’t Velt-Meijer
- A.A. Schuering
- L.F.A. Husson
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid en toewijzing vordering bonus na ontbinding arbeidsovereenkomst
Werknemer was van mei 2001 tot november 2002 in dienst bij EDS als regional sales leader. Na ontbinding van de arbeidsovereenkomst ontving hij een vergoeding, maar vorderde tevens betaling van een bonus waarop hij meende recht te hebben volgens de geldende bonusregeling.
De rechtbank verklaarde de vordering niet-ontvankelijk omdat zij meende dat de bonusvordering onderdeel was van de ontbindingsprocedure. Het hof oordeelde echter dat de vordering losstaat van de ontbinding en dat werknemer ontvankelijk is.
Het hof stelde vast dat EDS nalatig was in het stellen van persoonlijke targets, een vereiste voor bonusberekening, en dat het ontbreken daarvan aan EDS toe te rekenen is. De berekening van de werknemer werd als voldoende onderbouwd aangenomen.
De kwartaalbonus over 2001 en 2002 werd toegewezen, evenals de individuele bonus over 2001. De wettelijke rente werd toegekend vanaf de datum van het betalingsverzoek in januari 2003. Het beroep van EDS op discretionaire bevoegdheid tot bonusverlening werd verworpen.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde EDS tot betaling van €125.243,27 plus rente en proceskosten.
Uitkomst: Werknemer is ontvankelijk verklaard en EDS veroordeeld tot betaling van €125.243,27 plus wettelijke rente.