ECLI:NL:GHSGR:2005:AT7529
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- J.M.E. In ’t Velt-Meijer
- A.H. de Wild
- L.F.A. Husson
- Rechtspraak.nl
Ontslag op staande voet wegens vermeende verduistering niet onverwijld meegedeeld
Werknemer trad in juni 1999 in dienst bij werkgever als verkoper. In juli 2001 werd een bedrag van f 7.000,00 contant ontvangen en later bleek dit bedrag te zijn verdwenen. Werknemer plaatste op 6 augustus 2001 het bedrag terug in het bedrijfspand, hetgeen op 7 augustus aan het licht kwam. Ondanks deze ontdekking werkte werknemer nog enkele dagen door. Op 10 augustus 2001 werd werknemer geschorst en op 16 augustus 2001 werd een extern onderzoek gestart.
Op 17 augustus 2001 werd werknemer op staande voet ontslagen wegens verduistering en het liegen over de zaak. De rechtbank oordeelde dat het ontslag nietig was omdat de reden voor het ontslag niet onverwijld was meegedeeld. Werkgever kwam hiertegen in hoger beroep.
Het hof bevestigde dat tussen de ontdekking van de handelwijze van werknemer en het ontslag geen onderzoek was verricht en dat de reden voor het ontslag niet tijdig was meegedeeld. Hierdoor kon het ontslag op staande voet geen stand houden. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en verwees het geschil over terugbetaling van het bedrag naar de rechtbank voor verdere behandeling.
Uitkomst: Het ontslag op staande voet is nietig verklaard omdat de reden niet onverwijld is meegedeeld.