ECLI:NL:GHSGR:2004:AS7341
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Schuering
- Beyer-Lazonder
- Husson
- Rechtspraak.nl
Uitleg beding in beëindigingsovereenkomst over het niet doen van beroep op wachtgeldregeling
De werknemer trad in oktober 1986 in dienst bij de werkgever. In april 2001 verzocht de werkgever de kantonrechter om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. In de daaropvolgende beschikking werd een beëindigingsovereenkomst vastgelegd waarin stond dat de werknemer geen beroep zou doen op de wachtgeldregeling.
De werknemer vroeg in augustus 2001 een werkloosheidsuitkering en een bovenwettelijke uitkering aan, welke aanvankelijk werden toegekend. De werkgever maakte bezwaar, waarna deze uitkeringen werden geweigerd. De werkgever vorderde in eerste aanleg een verklaring voor recht dat de werknemer toerekenbaar tekortschiet door het aanvragen en ontvangen van deze uitkeringen.
De werknemer stelde dat het beding zo moest worden uitgelegd dat het alleen betrekking had op het niet terugkeren naar de werkplek en niet op het afzien van werkloosheidsuitkeringen. Het hof oordeelde dat partijen bij het sluiten van de overeenkomst uitgingen van een verouderde term 'wachtgeld', maar dat dit moet worden begrepen als een verbod op het doen van een beroep op werkloosheidsuitkeringen.
Het hof verwierp het betoog van de werknemer dat het beding beperkter uitgelegd moest worden, omdat hij onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om hiervan uit te gaan. Het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde de werknemer in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en wijst het hoger beroep van de werknemer af.