ECLI:NL:GHSGR:2004:AQ6924
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- In ’t Velt-Meijer
- Beyer-Lazonder
- Husson
- Rechtspraak.nl
Uitleg en toepassing VUT-overeenkomst en wettelijke verhoging in civiele procedure
De zaak betreft een geschil over de uitleg en toepassing van een VUT-overeenkomst tussen appellant en geïntimeerde. Appellant vordert indexering van de suppletievergoeding en toepassing van de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro, alsmede betaling van buitengerechtelijke kosten.
Het hof stelt vast dat partijen bij de overeenkomst hebben afgesproken dat de suppletievergoeding netto wordt uitgekeerd en jaarlijks wordt aangepast op grond van de CAO en algemene verhogingen. Hoewel een aandeelhoudersbesluit een bredere garantie van behoud van netto-inkomen suggereert, wijkt de overeenkomst daarvan af en is appellant hiermee akkoord gegaan.
Verder oordeelt het hof dat de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW Pro niet van toepassing is op de VUT-uitkering, omdat deze geen loon is voor verrichte arbeid. Ten aanzien van de gevorderde indexering over de suppletievergoeding vanaf 1 augustus 1994 stelt het hof vast dat geïntimeerde reeds betalingen heeft verricht en dat appellant onvoldoende onderbouwt dat er nog een betalingsachterstand bestaat.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten wordt aangehouden, waarbij appellant in de gelegenheid wordt gesteld bewijs te leveren van de gemaakte kosten. De overige grieven van appellant worden afgewezen.
Uitkomst: Het hof bevestigt dat indexering alleen over het netto suppletiebedrag verschuldigd is, wijst toepassing wettelijke verhoging af en verwijst bewijs over kosten naar rolzitting.