ECLI:NL:GHSGR:2004:AP9574
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- In ’t Velt-Meijer
- Beyer-Lazonder
- Husson
- Rechtspraak.nl
Afwijzing medehuurderschap wegens onvoldoende bewijs duurzame gemeenschappelijke huishouding
Appellant 2 huurt sinds 29 september 1995 een benedenwoning van Woonbron, maar woont daar niet meer. Appellant 1 woont alleen in de woning en heeft verzocht om medehuurderschap toe te kennen op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding sinds mei 1996. Woonbron heeft dit verzoek afgewezen en de rechtbank heeft de vordering van appellanten afgewezen.
Appellanten stelden dat zij vanaf 1996 samenwoonden en een duurzame gemeenschappelijke huishouding vormden, onderbouwd met diverse stukken zoals handtekeningenlijsten, bankafschriften en verklaringen. Het hof oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende bewijs leverden dat appellant 1 daadwerkelijk zijn hoofdverblijf had in de woning en dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
De bankafschriften toonden slechts aan dat appellant 1 enkele maanden boodschappen betaalde, wat onvoldoende is om een gemeenschappelijke huishouding aan te nemen. Ook het feit dat appellant 1 niet op het adres van appellant 2 was ingeschreven, deed niet af aan het oordeel dat onvoldoende onderbouwing was geleverd. De grieven van appellanten faalden en het hof bekrachtigde het vonnis van de rechtbank en veroordeelde appellanten in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot medehuurderschap af wegens onvoldoende bewijs van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.