ECLI:NL:GHSGR:2004:AP0251
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- mr. Vonk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling heffingsrente bij vertraagde aanslag inkomstenbelasting 1999
Belanghebbende had in 1999 een winst uit aanmerkelijk belang gerealiseerd en diende zijn aangifte inkomstenbelasting tijdig in. De Inspecteur legde echter pas op 7 november 2002 een definitieve aanslag op, waarbij heffingsrente werd berekend over de periode van 1 januari 2000 tot 7 november 2002. Belanghebbende stelde dat de aanslagregeling te lang had geduurd en dat de heffingsrente daarom verminderd moest worden.
De Nationale Ombudsman had eerder geoordeeld dat de Belastingdienst niet correct had gehandeld door geen voorlopige aanslag binnen drie maanden na ontvangst van de aangifte op te leggen. Desondanks oordeelt het hof dat de wettelijke bepalingen geen grond bieden om de heffingsrente geheel of gedeeltelijk buiten toepassing te laten, mede omdat belanghebbende geen verzoek om een voorlopige aanslag had gedaan.
Het hof benadrukt dat de heffingsrente niet bedoeld is als straf, maar als correctie om gelijkheid tussen belastingplichtigen te waarborgen. Omdat de aanslag binnen de wettelijke termijn is opgelegd en het bedrag niet is betwist, wordt het beroep ongegrond verklaard. Er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de heffingsrente is ongegrond verklaard en de heffingsrente is terecht in rekening gebracht.