ECLI:NL:GHSGR:2003:AN8753

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
16 oktober 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
2200412502
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Recidive bij snelheidsovertreding en de gevolgen voor hoger beroep

In deze zaak heeft het Gerechtshof 's-Gravenhage op 16 oktober 2003 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen een vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage. De verdachte, een advocaat, was eerder veroordeeld voor een snelheidsovertreding en had geen hoger beroep ingesteld tegen dat vonnis. Het hof oordeelde dat de verdachte, ondanks eventuele druk van de kantonrechter, had moeten afwegen of hij hoger beroep wilde instellen, vooral gezien zijn beroep en de gevolgen van recidive. De verdachte had moeten beseffen dat bij een nieuwe overtreding hij als recidivist behandeld zou worden, wat zou kunnen leiden tot een ontzegging van de rijbevoegdheid.

Het hof verwierp het verweer van de verdachte dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk zou moeten worden verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof concludeerde dat het tijdsverloop in deze zaak niet zodanig was dat het de conclusie rechtvaardigde dat de behandeling niet binnen een redelijke termijn had plaatsgevonden. De verdachte had ook aangevoerd dat hij ten onrechte was gedagvaard, maar ook dit verweer werd verworpen.

Het hof oordeelde dat het vonnis waarvan beroep niet in stand kon blijven en dat de verdachte opnieuw moest worden beoordeeld. De verdachte werd uiteindelijk veroordeeld tot een geldboete van €250, subsidiair vijf dagen hechtenis, en een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen voor vier maanden, met een proeftijd van twee jaren. Het hof benadrukte dat de strafmaat in overeenstemming moest zijn met de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Uitspraak

parketnummer 0950034702
datum uitspraak 16 oktober 2003
tegenspraak
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE enkelvoudige kamer voor strafzaken
ARREST
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 16 september 2002 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte]
1. Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep van dit hof van 16 oktober 2003.
2. Tenlastelegging
Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.
3. Procesgang
In eerste aanleg is de verdachte terzake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete van €.250,-- subsidiair 5 dagen hechtenis en ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
4. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging
Door de verdachte is een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens overschrijding van een redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, op grond dat sedert het plegen van het feit op 16 augustus 2001 een periode van ruim 26 maanden is verstreken.
Dit verweer wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof is het tijdsverloop noch tussen het plegen van het feit op 16 augustus 2001 en de behandeling in eerste aanleg van 16 september 2002 noch tussen die behandeling en de behandeling in hoger beroep van 16 oktober 2003 noch tussen het plegen van het feit en de behandeling in hoger beroep zodanig geweest, dat dit de conclusie wettigt dat de behandeling van de zaak niet heeft plaatsgevonden binnen een redelijke termijn in de zin van die verdragsbepaling.
Verdachte heeft voorts aangevoerd dat hij ten onrechte is gedagvaard, aangezien hem een transactievoorstel had moeten worden aangeboden. Hij stelt daartoe dat hij weliswaar eerder wegens een snelheidsovertreding door de kantonrechter is veroordeeld maar dat die veroordeling aantoonbaar onjuist is, en dat hij destijds onder druk van de kantonrechter (waarbij hij niet is geïnformeerd over de inhoud van de "recidiveregeling") van hoger beroep heeft afgezien.
Het hof verwerpt ook dit verweer. Daargelaten of de eerdere veroordeling inderdaad aantoonbaar onjuist is (hetgeen door het hof niet meer valt na te gaan nu het betreffende vonnis onherroepelijk is geworden) en of de kantonrechter in de betreffende zaak druk op de verdachte heeft uitgeoefend om afstand te doen van zijn recht op hoger beroep, dan wel daarvan af te zien, mag in elk geval van deze verdachte gezien zijn beroep van advocaat verwacht worden dat hij ondanks dergelijke druk tot een zelfstandige afweging komt van voor- en nadelen van hoger beroep. Hij had daarbij ook moeten bedenken dat hij bij een nieuwe snelheidsovertreding na dat vonnis als recidivist zou worden behandeld. Geen rechtsregel verplicht de kantonrechter ertoe om een veroordeelde ter zake van een snelheidsovertreding erop te wijzen dat hem, als hij geen hoger beroep instelt, bij een nieuwe veroordeling voor een soortgelijk feit een (voorwaardelijke) ontzegging van de rijbevoegdheid boven het hoofd hangt.
Het openbaar ministerie is dan ook ontvankelijk in de vervolging.
5. Beoordeling van het vonnis
Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
6. Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op de wijze als is vermeld in de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt.
Hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
7. Bewijsvoering
Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.
De bewijsmiddelen zullen in die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest met de bewijsmiddelen vereist in een aan dit arrest gehechte bijlage worden opgenomen.
8. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert op:
Overtreding van artikel 20, aanhef en onder a, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
9. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
10. Strafmotivering
De advocaat-generaal mr. Degeling heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte terzake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van €.250,--, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vijf dagen hechtenis en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.
Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Het hof is van oordeel dat in dit geval sprake is van een recidive, zoals blijkt uit Uittreksel Justitieel Documentatieregister d.d. 13 augustus 2003, immers verdachte is terzake van overtreding van artikel 62 jo bord A1 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 bij vonnis van de kantonrechter te 's-Gravenhage d.d. 31 januari 2001 veroordeeld tot een geldboete. Tegen dat vonnis is geen rechtsmiddel ingesteld zodat dat vonnis in kracht van gewijsde is gegaan.
Het hof is dan ook van oordeel dat een onvoorwaardelijke geldboete van na te noemen bedrag alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van na te melden duur passend en geboden is.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 14 en 177 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 20 en 92 (oud) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.
12. Beslissing
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.
Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.
Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van TWEEHONDERDVIJFTIG EURO,
bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van VIJF DAGEN.
Ontzegt de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van
VIER MAANDEN.
Beveelt dat de bijkomende straf van ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van TWEE JAREN aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit arrest is gewezen door mr. Van den Berg,
in bijzijn van de griffier Van Pelt.
Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 16 oktober 2003.