ECLI:NL:GHSGR:2003:AL9049

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
24 september 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
884-H-02
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Dusamos
  • Kok
  • van der Burght
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 Wet Conflictenrecht EchtscheidingArt. 56 Mudawwanah
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van Nederlands recht bij echtscheiding van Nederlands-Marokkaanse echtgenoten

De vrouw en de man, beiden met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, zijn gehuwd en hebben een echtscheidingsprocedure doorlopen. De vrouw verzocht primair toepassing van Marokkaans recht op de echtscheiding, subsidiair Nederlands recht. De rechtbank sprak de echtscheiding uit op grond van Nederlands recht.

In hoger beroep betwistte de vrouw de toepassing van Nederlands recht en verzocht het hof de echtscheiding op basis van Marokkaans recht uit te spreken. Het hof paste de effectiviteitstoets toe conform artikel 1 lid 3 van Pro de Wet Conflictenrecht Echtscheiding, omdat beide partijen dubbele nationaliteit bezitten.

Het hof oordeelde dat de man de sterkste banden met Nederland heeft, gezien zijn langdurige verblijf, werk, sociale contacten en intentie om in Nederland te blijven. Ook de vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit als effectief beschouwd, omdat zij hier een opleiding volgt en wil blijven werken. Het hof verwierp het betoog van de vrouw dat negatieve gevolgen in Marokko zouden ontstaan bij toepassing van Nederlands recht.

Daarom bekrachtigde het hof de bestreden beschikking waarin de echtscheiding op grond van Nederlands recht werd uitgesproken.

Uitkomst: Het hof bevestigt dat het Nederlands recht van toepassing is op de echtscheiding van partijen met dubbele Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit.

Uitspraak

Uitspraak : 24 september 2003
Rekestnummer : 884-H-02
Rekestnr. rechtbank : 177774/02-2036
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[belanghebbende],
wonende te '[woonplaats],
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. S. de Kluiver,
tegen
[benadeelde partij]
wonende te [woonplaats]
verweerder in hoger beroep,
hierna te noemen: de man.
PROCESVERLOOP
De vrouw is op 9 december 2002 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 21 oktober 2002.
Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 14 januari 2003 het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg ingekomen.
Op 15 augustus 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur en de heer B. Kestinie, tolk in de Marokkaanse taal, en de man, bijgestaan door zijn advocate mr. S.P. Koerselman
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.
De man en de vrouw zijn op [datum] in [plaats] gehuwd.
Beide partijen hebben zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit.
Bij verzoekschrift van 28 maart 2002 en bij aanvullend verzoekschrift van 12 augustus 2002 heeft de vrouw de rechtbank te 's-Gravenhage onder meer verzocht primair om op grond van artikel 56 van Pro de Mudawwanah en subsidiair om op grond van het Nederlands recht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. De man heeft verweer gevoerd tegen het primaire verzoek van de vrouw.
Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding naar Nederlands recht uitgesproken.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking - uitvoerbaar bij voorraad - te vernietigen voor zover de rechtbank daarin Nederlands recht op de echtscheiding heeft toegepast en, opnieuw beschikkende, op de echtscheiding het Marokkaanse recht toe te passen, althans zodanige voorzieningen te treffen als het hof juist acht. Ter terechtzitting heeft de man dit beroep gemotiveerd bestreden.
2. Op grond van artikel 1 lid 3 van Pro de Wet Conflictenrecht Echtscheiding dient de effectiviteitstoets te worden toegepast indien een partij de nationaliteit van meer dan één land bezit. Beide partijen bezitten zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit, zodat bij beiden getoetst moet worden met welk land, Nederland of Marokko, partijen de sterkste banden hebben. Het is dus niet aan de man om te bewijzen dat bij hem een werkelijke maatschappelijke band met Marokko ontbreekt, zoals de vrouw stelt. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank op goede gronden overwogen dat Nederland voor de man de meest effectieve nationaliteit is. Hij woont al ruim 30 jaar in Nederland, heeft hier arbeid verricht en geniet zijn inkomen hier. Voorts spreekt en verstaat hij de Nederlandse taal en heeft hij ter terechtzitting onweersproken gesteld dat zijn vrienden en kennissen in Nederland wonen en dat hij slechts eens in de aantal jaren naar Marokko met vakantie gaat, alsmede dat hij voornemens is in Nederland gevestigd te blijven. Onder deze omstandigheden wordt de man naar het oordeel van het hof geacht de sterkste banden met Nederland te hebben. Dat de man, zoals de vrouw heeft gesteld, vasthoudt aan de Marokkaanse normen en waarden, doet aan dit oordeel niet af. Ook voor de vrouw is de Nederlandse nationaliteit naar 's hofs oordeel de effectieve nationaliteit, nu zij ter zitting heeft verklaard hier een opleiding te volgen en te willen werken, en ook na scheiding in Nederland te willen blijven.
3. Ook het overige door de vrouw aangevoerde kan niet tot een ander oordeel leiden, met name niet het door de vrouw ter zitting gevoerde betoog dat de vrouw veel negatieve gevolgen zal ondervinden van een echtscheiding uitgesproken naar Nederlands recht, nu deze in Marokko niet zal worden erkend.
4. Hieruit volgt dat het hof de bestreden beschikking zal bekrachtigen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kok en van der Burght, bijgestaan door
Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2003.