ECLI:NL:GHSGR:2003:AL8302

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 augustus 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
BK-02/00679
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Van Walderveen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling naheffingsaanslag parkeerbelasting ondanks ontbreken betaalmogelijkheid vooraf

Belanghebbende parkeerde zijn auto om circa 8.15 uur op een parkeerplaats waar parkeerbelasting verschuldigd was vanaf 9.00 uur. De parkeerapparatuur gaf aan dat parkeren tot 9.00 uur vrij was en bood geen mogelijkheid om vooraf te betalen. Pogingen tot telefonisch contact met het Parkeer Service Bureau mislukten omdat dit bureau pas vanaf 10.00 uur bereikbaar was. Belanghebbende betaalde de belasting niet en vertrok met de trein. Na terugkomst trof hij een naheffingsaanslag aan.

Belanghebbende voerde aan dat het niet betalen buiten zijn schuld was en dat andere parkeerapparatuur elders wel vooraf betaling mogelijk maakte. De Inspecteur stelde dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd omdat de belasting niet was voldaan en dat er voldoende alternatieve parkeergelegenheid was die al om 7.00 uur open was.

Het hof oordeelde dat het ontbreken van een mogelijkheid tot vooraf betalen op de betreffende apparatuur geen rechtvaardiging vormt voor het niet voldoen van de belasting. De tekst op het display maakte duidelijk dat parkeren tot 9.00 uur vrij was, maar daarna de belasting onverkort verschuldigd was. De aanwezigheid van alternatieve parkeergelegenheid en het feit dat parkeergarages na middernacht gesloten zijn, rechtvaardigen geen ander oordeel. Het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE
eerste enkelvoudige belastingkamer
15 augustus 2003
nummer BK-02/00679
UITSPRAAK
op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van het afdelingshoofd van de afdeling Beheer en Onderhoud van de gemeente Zoetermeer (hierna: de Inspecteur), betreffende na te noemen naheffingsaanslag.
1. Naheffingsaanslag en bezwaar
1.1 Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd ten bedrage van ƒ 86, zijnde ƒ 2 voor belasting en ƒ 84 voor kosten.
1.2 Het tegen de naheffingsaanslag gerichte bezwaar van belanghebbende is bij de bestreden uitspraak afgewezen.
2. Loop van het geding
2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 29. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 8 april 2003, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen.
2.3 Het Hof heeft op 22 april 2003 mondeling uitspraak gedaan. De voor partijen bestemde afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak zijn op 6 mei 2003 ter post bezorgd. Op 28 mei 2003 is van belanghebbende een verzoek ingekomen om de mondelinge uitspraak te vervangen door een schriftelijke. Het daarvoor verschuldigde griffierecht ad €43,50 is tijdig voldaan.
3. Vaststaande feiten
Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:
Op 8 september 2001, om 10.43 uur stond de auto van belanghebbend geparkeerd op een parkeerplaats die is aangewezen als parkeerplaats alwaar met behulp van parkeerapparatuur ter zake van het parkeren aldaar parkeerbelasting wordt geheven.
4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen
4.1 Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.
4.2 Belanghebbende heeft onder meer aangevoerd dat hij zijn auto om circa 8.15 uur aldaar heeft geparkeerd. Hij heeft vervolgens gepoogd het bedrag aan verschuldigde parkeerbelasting voor een zogenoemde dagkaart te voldoen. De parkeerapparatuur weigerde dat; het display gaf de tekst "vrij parkeren" aan. Op de parkeerapparatuur stond tevens vermeld dat het betaald parkeren om 9.00 uur ingaat. Belanghebbende heeft daarop telefonisch contact gezocht met het Parkeer Service Bureau; de telefoon werd niet opgenomen. Achteraf heeft belanghebbende geconstateerd dat het voormelde bureau slechts tussen 10.00 en 16.00 uur telefonisch bereikbaar is. Belanghebbende heeft daarop afgezien van verdere pogingen de belasting te voldoen en is met de trein naar Y vertrokken. Na terugkomst heeft hij de naheffingsaanslag aangetroffen. Voorts heeft belanghebbende erop gewezen dat andere parkeerapparatuur wel de gelegenheid biedt de verschuldigde belasting te voldoen, ook vóór de aanvang van een tijdvak waarvoor bij vooruitbetaling parkeerbelasting verschuldigd is. Het "niet betalen" is daarom buiten zijn schuld geschied, zodat de naheffing dient te worden ingetrokken. Het parkeren in één van de nabij gelegen parkeergarage is geen alternatief omdat die parkeergarages na 24.00 uur zijn gesloten en belanghebbende bij vertraging in het treinverkeer alsdan niet de mogelijkheid heeft om zijn auto op te halen.
4.3 De Inspecteur heeft de stelling van belanghebbende gemotiveerd weersproken en daartoe aangevoerd dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd nu belanghebbende de verschuldigde belasting niet heeft voldaan. Er zijn in de directe omgeving van het station parkeergarages die reeds vanaf 7.00 uur open zijn, zodat voldoende alternatieve parkeergelegenheid aanwezig is. De Inspecteur heeft ter zitting erkend dat parkeerapparatuur welke de gelegenheid geeft om vóór de aanvang van de periode waarvoor slechts tegen betaling vooraf kan worden geparkeerd toentertijd niet in Zoetermeer aanwezig was, terwijl deze apparatuur wel in andere gemeenten was geplaatst. Thans is ook in Zoetermeer dergelijke apparatuur geplaatst. Dit vormt echter geen rechtvaardiging voor het niet voldoen van de verschuldigde belasting.
5. Conclusies van partijen
5.1 Het beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag.
5.2 De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
6. Overwegingen omtrent het geschil
6.1 Hoezeer het Hof ook begrip heeft voor de situatie waarin belanghebbende zich ten tijde van het parkeren van zijn auto bevond, het kan daarin geen grond vinden voor het niet voldoen van de verschuldigde parkeerbelasting. De tekst op het display, in samenhang met hetgeen overigens op de parkeerapparatuur stond vermeld, laat naar 's Hofs oordeel geen andere uitleg toe dat slechts het parkeren tot het tijdstip van 9.00 uur gratis is. Na dat tijdstip dient de belasting onverkort te worden voldaan. Dat de aldaar toentertijd aanwezige parkeerapparatuur niet de mogelijkheid bood om de verschuldigde belasting te voldoen vóór de aanvang van de periode waarvoor slechts tegen betaling, kan belanghebbende niet baten. Voorts heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat in voldoende mate alternatieve parkeergelegenheid aanwezig was. Het enkele feit dat na 24.00 uur de parkeergarages zijn gesloten vormt evenmin een reden om tot een andersluidend oordeel te komen.
6.2 Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.
7. Proceskosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
8. Beslissing
Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is vastgesteld op 15 augustus 2003 door mr. Van Walderveen, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier Van Lingen, ter vervanging van de mondelinge uitspraak van 22 april 2003.
(Van Lingen) (Van Walderveen)
aangetekend aan
partijen verzonden:
Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:
1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).
2. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.
3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
- de naam en het adres van de indiener;
- de dagtekening;
- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is
gericht;
- de gronden van het beroep in cassatie.
De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.