ECLI:NL:GHSGR:2003:AL6352
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Labohm
- Stille
- Kok
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid vader in verzoek tot uithuisplaatsing minderjarigen en afwijzing machtiging
De vader is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de kinderrechter die het verzoek van Jeugdzorg tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen heeft afgewezen. De minderjarigen verblijven feitelijk bij de moeder, terwijl zij wettelijk onder het gezamenlijk gezag van de ouders vallen.
De kinderrechter had eerder de minderjarigen onder toezicht gesteld en een spoedmachtiging verleend voor tijdelijke uithuisplaatsing bij de vader. Het verzoek tot definitieve machtiging werd echter afgewezen. In hoger beroep stelt de vader zich op het standpunt dat hij gemachtigd moet worden om de kinderen gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen.
Het hof oordeelt dat de vader ontvankelijk is in het hoger beroep, ondanks dat hij niet de wettelijk aangewezen verzoeker is voor een machtiging uithuisplaatsing volgens artikel 1:261 BW Pro. Dit komt doordat hij in eerste aanleg belanghebbende is geworden door het verzoek van Jeugdzorg. Desalniettemin wijst het hof het verzoek van de vader af, omdat alleen de gezinsvoogdij-instelling, de raad voor de kinderbescherming of het openbaar ministerie een dergelijk verzoek kunnen indienen.
Het hof merkt op dat Jeugdzorg mogelijk een nieuw verzoek zal indienen op basis van een nader te verschijnen FORA-rapport. De beschikking van het hof bevestigt daarmee de afwijzing van het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing bij de vader.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vader tot machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarigen af.