ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0512
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- In 't Velt-Meijer
- De Wild
- Husson
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep over toepasselijkheid overgangsrecht op verzettermijn in loonvordering
In deze zaak stond de vraag centraal welk procesrecht van toepassing is op de termijn voor het instellen van verzet tegen een verstekvonnis dat is gewezen vóór de inwerkingtreding van het nieuwe Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
Appellant had een loonvordering ingesteld en de kantonrechter had bij verstek op 18 december 2001 de vordering toegewezen. Ropo, de geïntimeerde, was op 11 januari 2002 bekend met het vonnis en stelde op 6 februari 2002 verzet in. De kantonrechter had het nieuwe procesrecht toegepast en Ropo ontvankelijk verklaard in het verzet, waarna de zaak werd verwezen naar de civiele sector van de rechtbank.
Het hof overwoog dat volgens het overgangsrecht artikel VII lid 2 het oude procesrecht van toepassing blijft op de termijn waarbinnen rechtsmiddelen tegen beslissingen die voor de inwerkingtreding van het nieuwe Rv zijn genomen, moeten worden ingesteld. Het beslissende moment is de datum van de uitspraak. Omdat de termijn van 14 dagen gold en het verzet te laat was ingesteld, had de kantonrechter Ropo niet ontvankelijk moeten verklaren.
Het hof verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde Ropo niet ontvankelijk in het verzet. Tevens werd Ropo veroordeeld in de proceskosten van beide instanties.
Uitkomst: Het hof verklaart Ropo niet ontvankelijk in het verzet wegens overschrijding van de verzettermijn en vernietigt het vonnis van de rechtbank.