ECLI:NL:GHSGR:2003:AI0381
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Duindam
- Stille
- Van der Burght
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen beschikking voorlopige voorzieningen omgangsregeling
De vader is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam waarin voorlopige voorzieningen werden getroffen omtrent een omgangsregeling met zijn minderjarige kind. De rechtbank had het verzoek van de vader om contact met het kind tijdens het raadsonderzoek afgewezen en een onderzoek gelast naar de omgangsregeling en gezagsvraag.
De vader stelde dat de rechtbank het beginsel van hoor en wederhoor had geschonden en buiten de rechtsvraag was getreden door een omgangsverbod op te leggen zonder verzoek daartoe. De moeder betwistte dit en voerde aan dat het beroep niet-ontvankelijk is omdat hoger beroep tegen voorlopige voorzieningen niet is toegestaan.
Het hof overwoog dat ingevolge artikel 824 Rv Pro tegen dergelijke beschikkingen geen hogere voorzieningen openstaan, tenzij sprake is van schending van essentiële vormen of toepassing buiten het toepassingsgebied. Uit het proces-verbaal bleek dat de vader en zijn raadsman wel degelijk konden reageren en dat het omgangsverbod niet zonder verzoek was opgelegd.
Het hof oordeelde dat de beslissing van de rechtbank niet onbegrijpelijk of tegenstrijdig was en dat de vader niet-ontvankelijk moest worden verklaard in zijn hoger beroep. De beschikking werd uitgesproken door de kamer van Duindam, Stille en Van der Burght op 23 juli 2003.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep van de vader niet-ontvankelijk wegens uitsluiting van hogere voorzieningen tegen voorlopige voorzieningen.