ECLI:NL:GHSGR:2003:AH9812
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Walderveen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling fiscale woonplaats bij tijdelijke uitzending naar het buitenland
Belanghebbende was in 1998 tijdelijk uitgezonden naar twee buitenlandse landen, waarbij hij van 17 augustus 1998 tot 8 november 1999 in land B verbleef en daar een woning huurde. Zijn echtgenote voegde zich na twee maanden bij hem. Hoewel hij een verblijfsvergunning voor land B had en werkzaamheden voor drie à vier jaar verwachtte, bleef de dienstbetrekking met de Nederlandse werkgever bestaan en keerde hij na beëindiging van de samenwerking terug naar Nederland.
Belanghebbende stelde dat hij met zijn verhuizing naar land B zijn fiscale woonplaats in Nederland had verlaten en verzocht om aftrek van een lijfrentepremie. De inspecteur stelde dat belanghebbende het gehele jaar binnenlands belastingplichtig was. Het hof oordeelde dat de economische en persoonlijke banden met Nederland zwaarder wegen dan de tijdelijke economische betrekkingen met land B.
Het hof wees het beroep af omdat belanghebbende zijn fiscale woonplaats in Nederland had behouden, mede gelet op het voortzetten van bancaire relaties, het niet uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie en het behouden van de Nederlandse nationaliteit. Tevens faalde het beroep op het besluit van de staatssecretaris van Financiën uit 1970. De betaalde lijfrentepremie was niet aftrekbaar indien de binnenlandse belastingplicht zou zijn geëindigd.
De uitspraak werd op 4 februari 2003 door het gerechtshof 's-Gravenhage gewezen en het beroep van belanghebbende werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: Belanghebbende behoudt fiscale woonplaats in Nederland en beroep wordt ongegrond verklaard.