ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9530

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
15 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
803-H-02
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • De Bruijn-Lückers
  • Duindam
  • Van Montfoort
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 RvArt. 278 lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid in hoger beroep wegens ontbreken gronden in appèlschrift

De man is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 30 juli 2002. Hij heeft een appèlschrift ingediend zonder de vereiste gronden te vermelden, waardoor het hof van oordeel is dat het beroep niet ontvankelijk is. Hoewel de man later de gronden heeft aangevuld, voldoet dit niet aan de wettelijke eisen en is het bovendien strijdig met de behoorlijke procesorde omdat de vrouw hierdoor pas kort voor de zitting met de gronden werd geconfronteerd.

Het hof heeft de ontvankelijkheid mondeling behandeld op 11 december 2002, waarbij de procureur van de man en de raadsvrouwe van de vrouw aanwezig waren. Het hof concludeert dat het appèlschrift niet voldoet aan artikel 359 Rv Pro jo 278 lid 1 Rv en verklaart de man daarom niet-ontvankelijk.

De beschikking is uitgesproken tijdens de openbare terechtzitting van 15 januari 2003 door mrs. De Bruijn-Lückers, Duindam en Van Montfoort, bijgestaan door de griffier mr. Quarles van Ufford.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens het ontbreken van de vereiste gronden in het appèlschrift.

Uitspraak

Uitspraak : 15 januari 2003
Rekestnummer : 803-H-02
Rekestnr. rechtbank : 02-1306
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te Leidschendam,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. A.G.M. Haase,
tegen
[verweerster],
wonende te Leidschendam,
verweerster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw.
PROCESVERLOOP
De man is op 29 oktober 2002 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te 's-Gravenhage van 30 juli 2002.
Van de zijde van de man zijn bij het hof aanvullende stukken ingekomen bij brieven van 11 november 2002 en 6 december 2002.
Op 11 december 2002 is de ontvankelijkheid van de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn de procureur van de man en de raadsvrouwe van de vrouw, mr. B.J.M. Dubbeld-Haks.
DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP
1. De man heeft een appèlschrift ingediend bij het hof, waarin hij verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en het inleidende verzoek van de vrouw alsnog af te wijzen. De man dient in dit verzoek niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu het ingediende appèlschrift niet voldoet aan de eisen die de wet daaraan stelt. De wet stelt immers in de artikelen 359 Rv jo 278 lid 1 Rv als eis dat het appèlschrift de gronden waarop het beroep berust, vermeldt zodat daaruit kan blijken waarom de bestreden beschikking onjuist wordt geacht. Die gronden staan in het onderhavige appèlschrift niet vermeld, zodat de man in het hoger beroep niet kan worden ontvangen. Weliswaar heeft de man bij brief van 6 december 2002 de gronden van het beroep aangevuld, maar daarmee is nog niet voldaan aan het vereiste van artikel 359 jo Pro 278 lid 1 Rv. Bovendien is een dergelijk handelen in strijd met een behoorlijke procesorde, nu de vrouw eerst vijf dagen voor de zitting met de gronden van het hoger beroep wordt geconfronteerd.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
Deze beschikking is gegeven door mrs. De Bruijn-Lückers, Duindam en Van Montfoort, bijge-staan door mr. Quarles van Ufford als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terecht-zitting van 15 januari 2003.