ECLI:NL:GHSGR:2003:AF9030

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
7 mei 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
053-H-03
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Duindam
  • Gerretsen-Visser
  • De Bruijn-Lückers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek tot opheffing en ontslag mentorschap wegens gebrek aan bevoegdheid

De man, gehuwd met een dementerende vrouw die in een verpleeghuis verblijft, had bij de kantonrechter een mentorschap ingesteld voor zijn echtgenote. Hij verzocht vervolgens de rechtbank om het mentorschap op te heffen, hetgeen werd afgewezen. In hoger beroep stelde hij dat het mentorschap moest worden opgeheven en subsidiair dat de mentor ontslagen moest worden.

Het hof oordeelde dat de man niet tot de kring van personen behoort die een verzoek tot opheffing of ontslag van een mentor kunnen indienen, en dat hij daarom niet-ontvankelijk is in zijn verzoeken. Bovendien heeft hij geen gronden aangevoerd voor opheffing van het mentorschap zelf, maar richtte zijn beroep feitelijk alleen tegen de persoon van de mentor.

Het hof vernietigde de bestreden beschikking en verklaarde de man niet-ontvankelijk in zijn verzoeken. Tevens werd overwogen dat zonder voordracht van een andere mentor het ontslagverzoek inhoudelijk zou moeten worden afgewezen. De noodzaak van het mentorschap blijft daarmee bestaan.

Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot opheffing en ontslag van het mentorschap.

Uitspraak

Uitspraak : 7 mei 2003
Rekestnummer : 053-H-03
Rekestnr. Rechtbank, sector kanton: EJ VERZ 02-83215
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[de man],
wonende te 's-Gravenhage,
verzoeker in hoger beroep,
hierna te noemen: de man,
procureur mr. G. Janssen.
Als belanghebbende is aangemerkt:
1. [mentor],
wonende te 's-Gravenhage,
hierna te noemen: de mentor,
procureur mr. R.H. Kuiper,
[echtgenote],
wonende te 's-Gravenhage.
PROCESVERLOOP
De man is op 23 januari 2003 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 oktober 2002 van de rechtbank te 's-Gravenhage, sector kanton.
De mentor heeft op 9 april 2003 een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van de man zijn bij het hof op 15 april 2003 aanvullende stukken ingekomen.
Op 16 april 2003 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de mentor, bijgestaan door haar procureur.
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzit-ting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast.
De man is 81 jaar oud en gehuwd met [echtgenote], die wegens dementie in Verpleeghuis Houtwijk te 's-Gravenhage verblijft. Bij beschikking van de kantonrechter te 's-Gravenhage van 17 december 2001 is op verzoek van de man een mentorschap ten behoeve van zijn echtgenote ingesteld, met benoeming van [mentor] voornoemd tot mentor.
Op 11 oktober 2002 heeft de man bij de rechtbank, sector kanton, een verzoekschrift ingediend strekkende tot opheffing van het mentorschap. Bij de bestreden beschikking heeft de kantonrechter het verzoek van de man afgewezen.
OORDEEL VAN HET HOF
1. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en zijn inleidend verzoek tot opheffing van het mentorschap van [mentor] alsnog toe te wijzen. De man heeft zijn gronden in hoger beroep vermeerderd door in hoger beroep subsidiair te verzoeken [mentor] te ontslaan als mentor. De mentor bestrijdt zijn beroep.
2. Uit de wet volgt dat de kantonrechter het mentorschap kan opheffen op verzoek van de betrokkene, zijn mentor, dan wel op vordering van het openbaar ministerie, waarbij met betrokkene wordt bedoeld, de persoon ten behoeve van wie het mentorschap is ingesteld. Aangezien de man niet tot de kring van personen behoort die een verzoek tot opheffing van het mentorschap kan doen, had de kantonrechter de man niet ontvankelijk dienen te verklaren in zijn verzoek.
3. Ten overvloede overweegt het hof dat uit de stukken en uit hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, niet blijkt dat de man in zijn inleidende verzoek en hoger beroep gronden heeft aangevoerd voor opheffing van het mentorschap. Het appèl richt zich immers feitelijk alleen tegen de persoon van de mentor en niet tegen het mentorschap op zich. Op grond van het voorgaande is het hof dan ook van oordeel dat de noodzaak van het mentorschap nog steeds bestaat.
4. Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de man om de mentor te ontslaan, heeft eveneens te gelden dat de man niet ontvankelijk is, nu hij niet tot degenen behoort, die een dergelijk verzoek kunnen doen. Nu de man daarenboven ook heeft nagelaten een andere persoon als mentor voor te dragen, zou het verzoek ook inhoudelijk dienen te worden afgewezen.
BESLISSING OP HET HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank, sector kanton, en verklaart de man alsnog niet-ontvankelijk in zijn inleidende verzoek van 9 oktober 2002.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Gerretsen-Visser en De Bruijn-Lückers, bijge-staan door mr. Sijbesma als griffier en uit-gespro-ken ter openba-re terechtzit-ting van 7 mei 2003 .