ECLI:NL:GHSGR:2003:AF7587
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Walderveen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep op aftrek lening en rente als beroepskosten na faillissement vennootschap
Belanghebbende had in 1993 een lening van ƒ 50.000 afgesloten bij mevrouw A, welke hij in zijn vennootschap [C] heeft gestort. Deze vennootschap ging in 1994 failliet. Belanghebbende wilde de lening en betaalde rente van ƒ 11.993 als aftrekbare beroepskosten opvoeren in zijn aangifte inkomstenbelasting 1999.
De Inspecteur wees deze aftrek af en stelde het belastbaar inkomen vast op ƒ 68.324. Belanghebbende maakte bezwaar en ging in beroep bij het Gerechtshof. Hij stelde dat de lening was aangegaan in zijn hoedanigheid als directeur en werknemer van [C] en dat de rente betaald was ter verwerving van aandelen via spaarleasen.
Het Hof oordeelde dat belanghebbende onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de lening was aangegaan om zijn dienstbetrekking te verkrijgen of te behouden. Het vermoeden bestond dat de lening was aangegaan als aandeelhouder ten behoeve van het versterken van de vermogenspositie van de vennootschap, niet als beroepskosten.
Ook was niet aannemelijk dat in 1999 onherroepelijk vaststond dat de lening niet zou worden terugbetaald, zodat niet voldaan was aan de voorwaarden voor aftrek volgens artikel 38 van Pro de Wet. Het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule werd afgewezen omdat dit niet tot de bevoegdheid van de belastingrechter behoort.
Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Het griffierecht werd niet terugbetaald.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de afwijzing van aftrek van lening en rente als beroepskosten wordt ongegrond verklaard.