ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5280

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
29 januari 2003
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01/0849
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Stille
  • Kok
  • Labohm
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:932 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake uitleg en geldigheid voorwaarden uiterste wil erflaatster

In deze zaak staat centraal of de bewoordingen van de uiterste wil van de erflaatster onduidelijk zijn en of zij bij het opstellen van haar testament van onjuiste beweegredenen is uitgegaan. De erflaatster had haar zuster als enige erfgename benoemd onder twee voorwaarden: dat zij ten tijde van het overlijden een zelfstandige huishouding voerde en niet was opgenomen in een verzorgings- of verpleeghuis, en dat zij bekwaam was om over haar vermogen te beschikken.

De rechtbank had geoordeeld dat de bewoordingen onduidelijk waren en had de uiterste wil uitgelegd. Het hof oordeelt echter dat de bewoordingen duidelijk zijn en dat uitleg op grond van artikel 4:932 BW Pro niet aan de orde is. De bedoeling van de voorwaarden is niet in de uiterste wil opgenomen en het hof verzet zich tegen gissing naar bedoelingen buiten de uiterste wil.

Verder is vastgesteld dat geïntimeerde vrijelijk en uit eigen wil haar intrek in het verzorgingshuis heeft genomen, waardoor er geen sprake is van onrechtmatig handelen door appellante. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.

Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af.

Uitspraak

Uitspraak : 29 januari 2003
Rolnummer : 0849
Rol.nr rb. : 00/526
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
A r r e s t
in de zaak van:
[appellant],
wonende te Lekkerkerk
appellante, tevens voorwaardelijk incidenteel geïntimeerde
hierna te noemen: appellante
procureur mr. N.A. de leeuw
tegen
[geïntimeerde]
wonende te Lekkerkerk
geïntimeerde, tevens voorwaardelijk incidenteel appellante,
hierna te noemen: de geïntimeerde
procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt
HET GEDING
Bij exploot van 1 augustus 2001 is appellant in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 mei 2001, door de recht-bank te 's Gravenhage tussen de partijen gewezen.
Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank wat dat betreft in het be-stre-den vonnis heeft ver-meld.
Bij memorie van grieven (met 2 producties) heeft appellante 9 grie-ven aangevoerd.
Bij memorie van antwoord (met 7 producties) heeft geïntimeerde de grie-ven bestreden. Tevens heeft zij voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld onder aanvoering van 2 grieven.
Bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidentele hoger beroep heeft appellante de grieven bestreden .
Op 16 december 2002 is de zaak bepleit door de beide advocaten van partijen.
De partijen heb-ben hun procesdossier aan het hof over-ge-legd en arrest gevraagd.
BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTE-LE HOGER BEROEP
1. Tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het bestreden vonnis van 2 mei 2001 is niet opgekomen, zodat het hof in dit hoger beroep van die feiten uitgaat.
2. De kern van het tussen partijen bestaande geschil is of de bewoordingen van de uiterste wil van erflaatster onduidelijk zijn en of erflaatster bij het passeren van haar uiterste wil van onjuiste beweegredenen is uitgegaan. In de vierde grief stelt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat de bewoordingen in het testament onduidelijk zijn en dat de rechtbank ten onrechte de uiterste wil is gaan uitleggen. In de grieven 5, 6, 7 en 8 leest het hof dat de rechtbank - naar het oordeel van appellante - ten onrechte de voorwaarden a en b in de uiterste wil van erflaatster uitlegt, in die zin, dat geïntimeerde vrijelijk over het vermogen van erflaatster kan beschikken en derhalve niet is gehouden daarop in te teren doordat zij in een bejaardenoord of verzorging - of verpleeghuis is opgenomen.
De uiterste wil van erflaatster is op 26 februari 1997 door notaris mr A.C Ewoldt ter standplaats Ouderkerk aan den IJssel verleden. In haar uiterste wil verklaart erflaatster:" Ik benoem tot mijn enige erfgename mijn zuster mevrouw [geïntimeerde] zulks onder twee voorwaarden: A) dat zij ten tijde van mijn overlijden hetzij tezamen met mij, hetzij alleen of met één of meer anderen een zelfstandige huishouding voert en derhalve niet is opgenomen in een bejaardenhuis of verzorging - of verpleeghuis, en B) dat zij nog de bekwaamheid heeft over haar vermogen te beschikken. Het hof is van oordeel dat bewoordingen van de hiervoor genoemde voorwaarden - zoals vermeld in de uiterste wil van erflaatster - duidelijk zijn, zodat op grond van artikel 4:932 BW Pro aan uitleg niet kan worden toegekomen. Voorts heeft erflaatster niet aangegeven wat haar bedoelingen zijn geweest van het opnemen van de voorwaarden. Aangezien de bedoeling van de voorwaarden niet in de uiterste wil is opgenomen, verzet het rechtskarakter van de uiterste wil zich er tegen dat er gegist wordt naar de mogelijke bedoelingen van erflaatster. Het hof is van oordeel dat de uiterste wil van erflaatster duidelijk is. De grieven van appellante treffen doel, en het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en de beide primaire vorderingen in eerste instantie afwijzen.
3. Gegrond bevinding van het principale appèl brengt mee dat het voorwaardelijk ingestelde incidentele appèl ook dient te worden behandeld. Daarin wordt gesteld dat door principaal appellante onrechtmatig is gehandeld door geïntimeerde te bewegen om haar intrek te nemen in het zorgcentrum "De Breeje Hendrick". Het is het hof niet gebleken dat geïntimeerde op het moment van haar intrek in het verzorgingshuis niet vrijelijk over haar eigen wil kon beschikken. Het hof gaat ervan uit dat geïntimeerde volledig uit vrije wil haar intrek in het verzorgingshuis heeft genomen. Van onrechtmatig handelen van appellante tegen geïntimeerde is het hof niet gebleken. Het incidentele appèl kan derhalve niet slagen, en dat brengt mee dat de in eerste instantie ingestelde subsidiaire vorderingen eveneens door het hof worden afgewezen.
4. Gezien de aard van de procedure is het hof van oordeel dat de proceskosten in beide instanties tussen partijen moeten worden gecompenseerd.
5. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen, behoeven de overige in appèl en voorwaardelijk incidenteel appèl gestelde grieven niet nader te worden besproken aangezien deze niet tot een ander oordeel zullen leiden.
6. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden ver-nie-tigd.
BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET PRINCIPALE EN HET VOORWAARDELIJK INCIDENTELE HOGER BEROEP
Het hof:
vernietigt het vonnis door de rechtbank te 's Gravenhage voorzover tussen de partijen op 2 mei 2001 gewezen, en in zoverre opnieuw rechtdoende, ontzegt principaal geïntimeerde hetgeen zij bij inleidende dagvaarding van 26 januari 2000 zowel primair als subsidiair heeft gevorderd.
compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin dat de partijen ieder de eigen kosten dragen;
Dit arrest is gewezen door mrs. Stille, Kok en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2003, in tegenwoordigheid van de griffier.
Bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste