ECLI:NL:GHSGR:2003:AF5280
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Stille
- Kok
- Labohm
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake uitleg en geldigheid voorwaarden uiterste wil erflaatster
In deze zaak staat centraal of de bewoordingen van de uiterste wil van de erflaatster onduidelijk zijn en of zij bij het opstellen van haar testament van onjuiste beweegredenen is uitgegaan. De erflaatster had haar zuster als enige erfgename benoemd onder twee voorwaarden: dat zij ten tijde van het overlijden een zelfstandige huishouding voerde en niet was opgenomen in een verzorgings- of verpleeghuis, en dat zij bekwaam was om over haar vermogen te beschikken.
De rechtbank had geoordeeld dat de bewoordingen onduidelijk waren en had de uiterste wil uitgelegd. Het hof oordeelt echter dat de bewoordingen duidelijk zijn en dat uitleg op grond van artikel 4:932 BW Pro niet aan de orde is. De bedoeling van de voorwaarden is niet in de uiterste wil opgenomen en het hof verzet zich tegen gissing naar bedoelingen buiten de uiterste wil.
Verder is vastgesteld dat geïntimeerde vrijelijk en uit eigen wil haar intrek in het verzorgingshuis heeft genomen, waardoor er geen sprake is van onrechtmatig handelen door appellante. Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd.
Uitkomst: Het hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en wijst de vorderingen van appellante af.