ECLI:NL:GHSGR:2002:AF3629

Gerechtshof 's-Gravenhage

Datum uitspraak
18 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
392-R-02
Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Duindam
  • Fockema Andreae-Hartsuiker
  • Zeven-Postma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:1067 BWArt. 157 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid hof in hoger beroep benoeming bewindvoerder nalatenschap curandus

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die haar benoeming tot bewindvoerder over de nalatenschap van de vader van de curandus heeft afgewezen. De curandus is sinds 1972 onder curatele gesteld wegens een geestelijke stoornis. Na het overlijden van eerdere curatoren en bewindvoerders is er momenteel geen handelingsbevoegde bewindvoerder over de nalatenschap.

De vrouw verzocht de rechtbank haar te benoemen tot curator en bewindvoerder. De rechtbank wees het verzoek tot bewindvoering af, maar benoemde haar wel tot curator. In hoger beroep verzoekt de vrouw vernietiging van die afwijzing en alsnog benoeming tot bewindvoerder.

Het hof oordeelt dat de rechtbank in hoogste ressort heeft beslist en dat het hof daarom niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep. Dit volgt uit artikel 157 Rv Pro. oud. Het hof verklaart zich dan ook onbevoegd en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hof verklaart zich niet bevoegd kennis te nemen van het hoger beroep en wijst het beroep af.

Uitspraak

Uitspraak : 18 december 2002
Rekestnummer : 392-R-02
Rekestnr. rechtbank : 01-7365
GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE
FAMILIEKAMER
B e s c h i k k i n g
in de zaak van
[appellante],
wonende te [X]
verzoekster in hoger beroep,
hierna te noemen: de vrouw,
procureur mr. G.C. Blom.
Als belanghebbende is aangemerkt:
[de belanghebbende],
wonende te [Y],
hierna te noemen: de curandus.
PROCESVERLOOP
De vrouw is op 7 juni 2002 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 8 april 2002.
Op 6 november 2002 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur mr. G.C. Blom en de curandus, vergezeld van zijn begeleidster mevrouw [B.].
VASTSTAANDE FEITEN
Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de partijen het volgende vast.
Bij beschikking van 28 augustus 1972 is de curandus, geboren [in] 1950, wegens een geestelijke stoornis op grond waarvan hij niet in staat is zijn belangen zelfstandig te behartigen, onder curatele gesteld met benoeming van [D.S.]r tot curator en [H.] tot toeziend curator.
Bij beschikking van 6 juni 1988 is, door het overlijden van de vorige curator, [V.] benoemd tot curator over de curandus en tot bewindvoerder over de nalatenschap van [de vader van de curandus]. Bij akte van 10 januari 1989 heeft [V.] [E.] benoemd tot opvolgend bewindvoerder. [V.] is op 21 april 2001 overleden. [E.] heeft op 18 augustus 2001 te kennen gegeven de benoeming tot bewindvoerder niet te willen aanvaarden.
Op 25 oktober 2001 heeft de vrouw de rechtbank te 's-Gravenhage verzocht haar te benoemen tot curator van de curandus en haar te benoemen tot bewindvoerder over de nalatenschap van [van de vader van de curandus].
Bij de bestreden beschikking is de vrouw benoemd tot curator over de curandus. Het meer of anders verzochte is afgewezen.
BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP
1. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de afwijzing van het verzoek tot benoeming van de vrouw tot bewindvoerder over de nalatenschap van [van de vader van de curandus] en, opnieuw beschikkende, haar alsnog te benoemen tot bewindvoer-der over de nalatenschap van [van de vader van de curandus].
2. Vast staat dat het in casu handelt over een testamentair bewind en dat er op dit moment geen bewindvoerder is die ten aanzien van de nalatenschap van [van de vader van de curandus] handelingsbevoegd is. Ingevolge artikel 4:1067 BW Pro dient, indien de erflater geen persoon heeft aangewezen die in de plaats van de ontbrekende bewindvoerders zal optreden (zoals in dit geval), daarin door de kantonrechter, op verhoor van het openbaar ministerie, te worden voorzien, hetgeen niet is gebeurd. De rechtbank heeft op het inleidende verzoek van de vrouw een beslissing genomen. Daarbij is niet gebleken noch gesteld dat de zaak ten onrechte bij de rechtbank aanhangig is gemaakt. Derhalve heeft de rechtbank naar 's hofs oordeel - ingevolge artikel 157 Rv Pro. oud - in hoogste ressort een beslissing gegeven, tegen welke beslissing niet in hoger beroep kan worden gegaan. Hieruit volgt dat het hof niet bevoegd is kennis te nemen van het hoger beroep.
3. Mitsdien moet beslist worden als volgt.
BESLISSING
Het hof:
verklaart zich niet bevoegd om van het verzoek in hoger beroep kennis te nemen.
Deze beschikking is gegeven door mrs. Duindam, Fockema Andreae-Hartsuiker en Zeven-Postma, bijge-staan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 december 2002.
De griffier is buiten staat deze Bij afwezigheid van de voorzitter
beschikking mede te ondertekenen. ondertekend door de oudste raadsheer.